Verslag najaars-bijeenkomst Gewina 2025

Anonieme kennis in de premoderne periode
Door Heike Bekaert [oorspronkelijk gepubliceerd op Shells & Pebbles]
Anonieme kennis zorgt voor heel wat uitdagingen binnen het historisch onderzoek. Dit gaat van praktische problemen, zoals het opslaan van de informatie in een database geordend volgens auteur, tot epistemologische vragen over de betrouwbaarheid van een anonieme bron. Bovendien worden er in een bron soms mensen verzwegen die bijdroegen aan de productie ervan. Tijdens de najaarsbijeenkomst van Gewina op 7 november 2025 kwamen academici en geïnteresseerden samen in Utrecht om zich over deze kwesties te buigen.
Het werd een vruchtbare dag. Veel dank gaat uit naar Anouk van der Meer en Anne Por, die de organisatie op zich namen en een interessant programma met boeiende sprekers samenstelden. Ook het Descartes Centre verdient onze dank voor het ter beschikking stellen van de prachtige locatie.
Gewina, het Belgisch-Nederlands genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis, organiseert elk jaar twee bijeenkomsten voor een breed publiek van leden en niet-leden. Tijdens deze dagen gaan we aan de hand van toegankelijke lezingen en levendige discussies samen in op vragen uit de kennisgeschiedenis. Ditmaal stond de najaarsbijeenkomst in het teken van anonieme kennis in de premoderne periode en was hiermee ook meteen de eerste activiteit van de nieuwe Werkgroep Premoderne Kennisgeschiedenis. Het initiatief voor de werkgroep kwam tot stand om twee redenen. Vorig jaar is de Werkgroep Middelnederlandse Artesliteratuur (WEMAL) een samenwerking aangegaan met Gewina, en krijgt het daarmee na 25 jaar een nieuwe vorm onder haar vleugels. Daarnaast is er binnen Gewina al langer behoefte om meer aandacht te besteden aan de oudere periodes; vooral de middeleeuwen hebben te lang weinig aandacht gehad. Om deze reden is ook het decembernummer van Gewina’s tijdschrift Wonderkamer volledig gewijd aan middeleeuwse kennisgeschiedenis.

Irene van Renswoude, Carine van Rhijn en Sebastiaan van Daalen stellen hun nieuwe NWO-project ‘Auteur onbekend’ voor.
In de voormiddag stond de huishoudelijke vergadering gepland. Na de lunch vergezelden de andere aanwezigen ons voor een boeiende namiddag. Irene van Renswoude, Carine van Rhijn en Sebastiaan van Daalen trapten af met een presentatie over hun recent gestarte NWO-project ‘Auteur onbekend. Anonieme middeleeuwse schrijvers’. Het idee voor dit project kwam voort uit een levendige discussie tussen Van Renswoude en Van Rhijn over de vraag of anonieme kennis problematisch is. Hoewel de kerkvaders anonieme manuscripten verboden, zijn er wel heel wat naamloze kennisbronnen aan ons overgeleverd. In reactie op deze tegenstelling presenteerden Van Renswoude, Van Rhijn en Van Daalen een uitdagende maar inspirerende methode: ze gaan bewust niet op zoek naar de identiteit van de onbekende auteurs. Vaak is het de eerste reflex van historici om de ‘wie’-vraag op te lossen. Maar wat gebeurt er als we deze achterwege laten? Zoals onze andere zintuigen verscherpen wanneer we er één uitschakelen, stellen de onderzoekers dat deze methode vernieuwende inzichten kan opleveren over de anonieme bronnen. Zo zegt het feit dat deze teksten overgedragen werden zonder auteur ons iets over de status van autoriteit in deze periode: klaarblijkelijk maakte niet enkel de grote naam die eraan vasthing dat mensen een tekst lazen en overleverden.
Anonieme bronnen worden veel minder onderzocht dan werken met een bekende auteur. Een belangrijke reden hiervoor is de (on)vindbaarheid van deze bronnen in catalogi. Een catalogus classificeert werken meestal naar hun auteur, waardoor een anonieme bron tussen de mazen van het net dreigt te glippen. Dit kan worden opgelost door de auteur als ‘anoniem’ te registreren. Van Renswoude, van Rhijn en van Daalen stellen echter dat deze oplossing problematisch is, omdat je hierbij informatie toevoegt die niet in de originele bron staat. Sebastiaan van Daalen sloot deze presentatie dan ook af met een alternatief voorstel: een databank die verschillende lagen van informatie koppelt aan een bepaalde bron. We hebben immers misschien geen informatie over de auteur, maar bijvoorbeeld wel over de opdrachtgever. Deze informatie uit de bron kan in de database aan het werk gekoppeld worden om het te identificeren zonder hierbij een pseudoniem te hoeven maken voor de onbekende auteur.

Tim Sebastiaan Hertogh bespreekt het belang van toverspreuken voor inzicht in het vroegmiddeleeuws ziektebegrip.
Anonieme kennis gaat over meer dan alleen naamloze manuscripten. Gedurende de namiddag passeerde er een variëteit aan anonieme kennisbronnen de revue, waaronder recepten, marginale notities en oefengedichtjes van leerlingen Latijn. PhD-kandidaat Tim Sebastiaan Hertogh bracht nog een andere vorm van anonieme kennis naar voren: vroegmiddeleeuwse toverspreuken. Deze toverspreuken werden in de marges van handschriften geschreven en boden een oplossing voor verschillende specifieke problemen. Hertogh toonde via de toverspreuken aan hoe mensen in de vroege middeleeuwen ziektes begrepen, en ging in op de autoriteitsvraag: waarom geloofden mensen dat een bepaalde spreuk zou werken? Veel spreuken bevatten een werkzaamheidclausule op het einde die de lezer overtuigt van de effectiviteit. Deze casus bracht dus goed naar voren hoe ook anonieme kennis kan bijdragen tot een beter begrip van de vroegmiddeleeuwse medische praktijken.

Jessie Wei-Hsuan Chen bespreekt anonieme kennis in de productie van plantafbeeldingen
Jessie Wei-Hsuan Chen sloot de namiddag af. Met haar lezing trokken we van de middeleeuwen richting de vroegmoderne periode. Hoewel het vanaf de zestiende eeuw het voor auteurs gebruikelijker werd om hun naam te vermelden, bleven heel wat helpende handen anoniem. Chen liet zien hoeveel verschillende personen nodig waren om één plantenafbeelding in druk te krijgen. Denk aan de hoveniers in botanische tuinen en de inheemse bevolking op koloniale plantages die planten verzamelden en verzorgden, de tekenaars die de eerste schetsen maakten, en de ambachtslieden die de prenten reproduceerden voor publicatie. Van velen is de naam verloren gegaan of nooit opgeschreven. Door aandacht te schenken aan deze onzichtbare krachten kunnen ook hun verhalen weer naar boven komen en een plaats krijgen in ons onderzoek naar vroegmoderne wetenschap en beeldcultuur.
Aan het einde van de middag stelden Anouk van der Meer en Irene van Renswoude het nieuwe initiatief voor de Werkgroep Premoderne Kennisgeschiedenis voor. Deze najaarsbijeenkomst in het teken van premoderne anonieme kennis was alvast het startschot; in de toekomst hoopt de werkgroep meer gelijkaardige evenementen te organiseren die premoderne kennisgeschiedenis centraal plaatsen.
Deze dag was een groot succes. De sprekers nodigden ons uit om met nieuwe ogen naar anonieme bronnen te kijken. Irene van Renswoude, Carine van Rhijn en Sebastiaan van Daalen lieten zien dat dergelijke bronnen waardevolle getuigenissen zijn, ook zonder bekende auteur, al brengt die benadering wel praktische uitdagingen met zich mee bij het samenstellen van databanken. Tim Sebastiaan toonde aan hoe anonieme vroegmiddeleeuwse toverspreuken inzicht geven in medische kennispraktijken. Jessie Wei-Hsuan Chen wees er bovendien op dat niet alleen geschreven bronnen maar ook afbeeldingen een rijkdom aan anonieme kennis bevatten. Uit al deze bijdragen bleek dat onderzoek naar anonieme kennis een andere aanpak vraagt dan we gewend zijn, namelijk het loslaten van de ‘wie’-vraag. Zodra we dat doen, opent zich een wereld vol nieuwe onderzoeksmogelijkheden. Dat inzicht bood meer dan genoeg stof voor gesprekken met een glas erbij tijdens de aansluitende borrel.

Over de auteur: Heike Bekaert (°2003) is wetenschapshistoricus opgeleid aan de UGent en student-bestuurslid binnen Gewina. Hij schreef zijn thesis over de astrologische praktijk van Johannes Kepler onder begeleiding van prof. Steven Vanden Broecke. Momenteel breidt hij zijn onderzoeksvaardigheden uit via een extra master historische taal- en letterkunde Latijn (UGent).
Edited by Anna Bruins and Marieke Gelderblom.

