Hippokrates – de vader der geneeskunde

Verschenen in EOS-magazine, november 2000, p. 54-56 – www.eos.be

De Griekse arts Hippokrates staat wel bekend als de "vader der geneeskunde". Als je er even over nadenkt, ligt een dergelijke betiteling allerminst voor de hand. Sinds het begin van de prehistorie hebben mensen te maken gehad met ziekte, verwondingen en gebreken. Ongetwijfeld hebben zij ook sinds het begin van de prehistorie geprobeerd daaraan iets te doen. De geneeskunde is met andere woorden veel ouder dan Hippokrates. Ook de minst ontwikkelde volkeren kennen wel een of andere vorm ervan.

Niet dat die oude geneeskunde altijd evenveel succes had. Het grootste deel van de geschiedenis stonden mensen vrij machteloos tegenover de gevaren die hun gezondheid bedreigden. Eigenlijk is er pas de laatste tweehonderd jaar sprake van duidelijk successen op medisch gebied. Wat is dan de reden dat we iemand die meer dan tweeduizend jaar gelden leefde eren met de titel "vader van de geneeskunde"?
Een mythische voorvader
Een reden is op het eerste gezicht vrij plat. Hippokrates is de eerste op wiens naam een omvangrijk corpus van medische geschriften is overgeleverd. De hele verzameling wordt kortaf meestal "Corpus Hippocraticum" genoemd. Hippokrates was niet de eerste geneesheer, maar dankzij zijn schrijverschap wel de eerste over wie we wat meer weten.

Overigens valt het nog niet mee om je aan de hand van de bronnen een indruk te vormen van de persoon en arts Hippokrates. Hij was zeker een historische figuur, maar in de loop van de tijd heeft hij tamelijk legendarische trekken aangenomen. Hij is ook belangrijker gemaakt dan hij eigenlijk was: een groot deel van de geschriften die op naam van Hippokrates zijn overgeleverd blijkt bij nader inzien niet van hemzelf. Er zitten ook jongere geschriften tussen van leerlingen en navolgers, of zelfs van rivalen.
In de loop van de tijd zijn allerlei zaken op Hippokrates teruggevoerd of teruggeprojecteerd die absoluut niets met hem te maken hadden. Neem de zogenaamde "Eed van Hippokrates". Eeuwenlang hebben de Europese artsen bij hun aantreden deze eed moeten zweren, waarin ze beloofden eerlijk en trouw hun werk te zullen doen in het belang van de patiënt. Hippokrates werd daarmee zoiets als een poortwachter voor de artsenstand: hij had de criteria vastgelegd onder welke iemand er bij mocht horen. Bij nadere bestudering blijkt deze eed echter een vrij kwestieus document. De oorspronkelijke eedsformule, bewaard in het Corpus Hippocraticum, was hoogstwaarschijnlijk geen artseneed, maar een leerlingeed, een eed die een jongen moest zweren als hij bij een gevestigde arts als leerling in dienst trad om te worden opgeleid.
De eed heeft dan ook meer met het oude gildewezen dan met moderne ethiek te maken. De leerling moest in de eerste plaats beloven zijn leraar altijd te zullen respecteren en de geheimen die hij zou leren niet aan derden door te vertellen. Bovendien mocht hij niets doen dat het aanzien van het beroep zou schaden. Meer in het bijzonder verbiedt de eed ontucht te plegen met patiënten, het steensnijden (het operatief verwijderen van nierstenen) en het verlenen van hulp bij zelfdoding.
Geneeskunde als wetenschap
Dit gezegd zijnde moeten we toch toegeven dat Hippokrates, door zijn medische inzichten op schrift te stellen, een belangrijke stap zette. Met zijn schrijverschap diende hij niet louter zijn eigen roem. Door zijn medische kennis op deze manier beschikbaar te stellen hielp hij de basis te leggen voor een meer systematische en wetenschappelijke manier van geneeskunde bedrijven. Het werd nu mogelijk inzichten te vergelijken en te bediscussiëren. In de eeuwen na Hippokrates ontstond een uitgebreide medische literatuur waarin deels op zijn werk werd voortgebouwd, deels nieuwe wegen werden bewandeld.

Het onderwijs in de geneeskunst kreeg daardoor steeds meer het karakter van een echte studie. Het was niet meer enkel het leren van een ambacht door bij een erkende meester de kunst af te kijken. De arts in spe kreeg nu ook een flinke hoeveelheid theoretische leerstof te verwerken. De geschriften van Hippokrates (of wat daarvoor doorging) hebben eeuwen lang een belangrijke rol gespeeld in het medische onderwijs. Dat duurde tot ver na de klassieke tijd. Het Corpus Hippocraticum werd het fundament waarop de universitaire geneeskunde in Europa vorm kreeg. Tot in de achttiende eeuw moesten studenten die wilden afstuderen in de medicijnen bij het examen een passage uit het werk van Hippokrates verklaren.
Dat de geschriften van Hippokrates een dergelijke rol konden spelen hangt ook samen met hun aard. Een systematische studie is alleen zinvol als geneeskunde meer is dan een serie losse recepten. Een wetenschap heeft een systematisch en conceptueel kader nodig. Welnu, dit kader werd in het geval van de geneeskunde door Hippokrates geboden. Hippokrates stond namelijk sterk onder de invloed van de Griekse wijsbegeerte zoals die in zijn tijd opkwam. Hij begreep dat deze nieuwe filosofische ideeën niet enkel relevant waren voor moraal en politiek, maar ook voor de geneeskunde.
Er waren in het Griekenland van die tijd verschillende centra van geneeskunst. De geneeskunst werd daar van vader op zoon, of ook in leraar-leerlingrelaties doorgegeven. Een van deze centra was het eiland Kos. Hier kwam Hippokrates vandaan, en ontwikkelde hij zich tot een toonaangevende leermeester. Waarschijnlijk onder zijn invloed stelde de medische traditie op Kos zich open voor filosofische inzichten. Terwijl de artsen elders aan traditionele inzichten bleven vasthouden, was Hippokrates een vernieuwer die aansluiting zocht bij ideeën van mensen als Plato of Aristoteles. Men heeft ook wel aangenomen dat hij vooral onder de invloed stond van Pythagoras, de eerste Griekse "filosoof", maar daar is eigenlijk geen bewijs voor.
Natuurlijke factoren
Op basis van de nieuwe filosofische inzichten viel de medische kennis te systematiseren. Wat Hippokrates aan de filosofie ontleende was vooral een idee over de werking van de natuur. Je moet bedenken dat het hele idee van "natuur", in de zin van de wereld zoals die reilt en zeilt, op dat moment nog nieuw was.

In de antieke wereld kon ziekte het werk zijn van demonen, het resultaat van betovering, of een straf van de goden. Genezing kon je dan hopen te verkrijgen door magische handelingen, offers of gebeden. Zieken werden bijvoorbeeld gebracht naar het heiligdom van Asklepios in Epidauros. Daar brachten ze de nacht door in de hoop dat de god hun in een droom zou verschijnen en de weg naar genezing aangeven. Ook tegenwoordig komt het trouwens nog wel voor dat mensen genezing zoeken door bijvoorbeeld op bedevaart te gaan.
Natuurlijk wisten de mensen vroeger ook wel dat sommige dingen gewoon uit de loop der dingen voortkomen: van alkohol wordt je dronken en krijg je hoofdpijn en je lichaam verzwakt wanneer je niet genoeg eet. Zonder een dergelijk inzicht zou een arts ook geen bestaansreden hebben. Maar het idee van een "natuurlijke loop der dingen" was meer een vage intuïtie dan een heldere theorie. Pas toen de Griekse filosofen vaststelden dat je de natuur als een zelfstandige eenheid kon beschrijven en zochten naar de vaste beginselen waarop zij werkte, werd het mogelijk om op die basis theorieën over ziekte en gezondheid uit te werken.
Hippokrates was in zijn tijd een vernieuwer, maar zijn ideeën over ziekte en gezondheid staan ver af van de huidige. Een belangrijk verschil is dat voor Hippokrates de ziekte geen zelfstandig gegeven was. Niet de ziekte, maar de zieke stond voor hem centraal. Er bestonden slechts patiënten met individuele klachten, en in principe was elke patiënt uniek. Standaardrecepten voor "griep", "pest" en dergelijke meer vielen dus niet te geven.
Wij voelen ons tegenwoordig gerechtigd om van griep en pest te spreken, omdat wij weten de klachten van alle patiënten hier zijn terug te voeren op één herkenbare ziekteverwekker: het griepvirus, respectievelijk de pestbacil. Zulke algemene ziekteverwekkers waren vroeger onbekend. Volgens Hippokrates en zijn school werd ziekte niet veroorzaakt door een aanraking met een onzichtbare smetstof. De oorzaak lag in de constitutie van het lichaam in samenspel met variabele omgevingsfactoren, zoals voedsel, weer en klimaat, lucht en water, en dergelijke.
Hij had daarvoor goede aanwijzingen. Sommige aandoeningen komen in het ene seizoen vaker voor dan in het andere, en ook is het ene klimaat of de ene omgeving is ongezonder dan het andere. Door op zulke factoren acht te geven, viel in het ontstaan en verloop van ziekten enig patroon te herkennen. Epidemiën werden volgens Hippokrates niet veroorzaakt door ziektekiemen die mensen (onbewust) aan elkaar doorgaven, maar vielen te verklaren doordat al die mensen blootstonden aan dezelfde omgevingsfactor, bijvoorbeeld kwade dampen in de lucht. Later, in de Middeleeuwen, toen men sterk naar astrologie neigde, beschouwde men ook de stand van de sterren als een omgevingsfactor.
De vier humeuren
Ziekte bestond volgens Hippokrates uiteindelijk vooral in een onbalans van de diverse sappen in het menselijk lichaam. Uiteindelijk nam de hippokratische geneeskunde vier van zulke sappen aan: bloed, slijm, (gele) gal en zwarte gal. Deze sappen correspondeerden met de vier elementen waaruit volgens de Griekse filosofen de wereld was opgebouwd: lucht, water, vuur en aarde. De elementen (en dus alle stoffen in de wereld, en ook de lichaamssappen) waren bepaald door vier hoedanigheden: droog, nat, koud en warm.

Als in het lichaam het evenwicht tussen de verschillende sappen verstoord raakte, kon men proberen dit weer te herstellen door het toedienen van de juiste medicijnen. Gal is droog en warm, dus als de patiënt een overmaat aan gal had, dan moest men hem iets toedienen waarin de kwaliteiten koud en vochtig overheersten en dat aldus de werking van het slijm versterkte.
De sappen bepaalden niet alleen de lichamelijke constitutie. Zij beïnvloedden ook de menselijke geest. Wij vinden dat nog altijd in ons taalgebruik terug. Iemand met een kalm, onverstoorbaar karakter noemen wij flegmatisch. Dat komt van het Griekse woord flegma, dat slijm betekent. Mensen bij wie het slijm domineerde zouden een rustige natuur hebben. Vurige, warmbloedige mensen noemen wij sanguinisch en norse, opvliegende karakters cholerisch. Die termen komen van het Latijnse sanguis (bloed) en het Griekse cholè (gal). Eenzelvige en tot somberheid neigende types tenslotte noemen wij melancholisch oftewel zwartgallig. De lichaamssappen zelf noemde men vroeger trouwens ook wel "humeuren".
Met wat we nu over de werking van het menselijke lichaam weten, lijkt het onbegrijpelijk dat je op basis van de theorie van de lichaamssappen mensen kunt genezen. Maar we moeten wel bedenken dat deze theorie geen stelsel van starre voorschriften was. Het was een heel algemene en dus ook heel flexibele theorie, waarin allerlei verschijnselen vielen onder te brengen. In de praktijk fungeerde hij waarschijnlijk dan ook vooral als een soort kader met behulp waarvan een arts zijn inzichten en ervaringen kon ordenen. En natuurlijk bood de theorie een zeker moreel houvast in gevallen dat hij het ook niet wist en gewoon wat moest proberen.
Diagnose en behandeling
Het is na zoveel eeuwen natuurlijk moeilijk vast te stellen hoe effectief de hippokratische geneeskunde was. We weten eigenlijk niet eens wat voor ziektes er in het klassieke Griekenland vooral voorkwamen. Het is duidelijk dat de artsen machteloos stonden bij grote epidemieën als die van Athene in 430 voor Christus. (Het is niet duidelijk wat dit precies voor epidemie was. De symptomen van dergelijke ziekten veranderen namelijk in de loop van de tijd.) Maar behalve aan infectieziekten leden de Grieken ongetwijfeld aan nog vele andere aandoeningen: parasieten, voedseldeficiënties, enzovoort. In sommige gevallen zal een ervaren geneesheer best goede raad hebben kunnen geven.

Gegeven het gebrekkige inzicht in de aard van de ziekte dat men toen had, bood de hippokratische geneeskunde een heel subtiel instrumentarium. Haar kracht lag vooral in de diagnose. Wanneer een arts tegenwoordig een diagnose stelt, komt het vooral aan op het thuisbrengen van de symptomen onder de juiste benaming, bijvoorbeeld griep of mazelen. Heeft men de ziekte eenmaal vastgesteld, dan kan men een standaardbehandeling toepassen. Een antieke arts sprak niet op die manier over "ziekte". Waarschijnlijk zou hij ook weinig aan ons ziektebegrip hebben gehad hebben, omdat ook de middelen die zich tegen een bepaalde ziekte richtten, ontbraken.
Bij Hippokrates was elke individuele patiënt een uniek geval. Daarom kwam het aan op een zeer zorgvuldig onderzoek van alle verschijnselen die deze speciale zieke vertoonde. De geschriften van Hippokrates bevatten allerlei aanwijzingen waar een arts op letten moet. Zo signaleert hij wat voor verschijnselen bij patiënten op gevaar wijzen en welke meestal goedaardig zijn, en dergelijke. Op basis van een dergelijk onderzoek diende de arts een prognose op te stellen, die aangaf hoe de ziekte zich, volgens verwachting, zou ontwikkelen. Maar hoe je vervolgens behandelen moest, blijft dikwijls nogal vaag. Dit was duidelijk het zwakke punt in de hippokratische geneeskunst. Je krijgt wel eens de indruk dat de antieke artsen het vooral als hun taak zagen om te vertellen of een aandoening gevaarlijk was of niet.
Maar kant en klare middelen bestonden niet. Elke patiënt was uniek. Wilde een arts wat uitrichten, dan was hij aangewezen op zijn inzicht en, vooral, ervaring. Hoe de artsen dat er in de praktijk hebben afgebracht, valt niet te achterhalen. Weliswaar biedt het hippocratische corpus een aantal ziektegeschiedenissen. Een bepaald geval dat de arts in zijn praktijk heeft ontmoet wordt nauwkeurig beschreven, en er wordt verteld wat de arts daarop heeft voorgeschreven en hoe de ziekte zich verder ontwikkeld heeft. Zulke beschrijvingen waren ook later nog een belangrijk onderdeel van de medische literatuur. De geschiedenissen lopen meestal goed af, maar je kunt je afvragen hoe representatief dat is. Een arts beschrijft tenslotte liever zijn successen dan zijn mislukkingen.
Een filosofisch arts
Het ligt voor de hand om Hippokrates’ verdienste vooral te zien in deze nieuwe filosofische inzichten die hij in de geneeskunde introduceerde. Inzichten, waardoor de geneeskunde meer een geleerd vak, een wetenschap werd. Aanvakelijk had dat weliswaar weinig betekenis voor de behandeling, maar een voortgaande wetenschappelijke studie maakte uiteindelijk de medische revolutie van de moderne tijd mogelijk.

Anderzijds moeten we goed begrijpen dat Hippokrates natuurlijk geen moderne wetenschappelijke arts was. Dat lijkt maar zo omdat we achteraf weten waar de ontwikkeling die hij mee in gang heeft gezet, ten lange leste toe geleid heeft. Dat hij de filosofie in de geneeskunst introduceerde was niet vanuit het oogmerk de geneeskunde wat wij nu "wetenschappelijk" noemen te maken. Een filosoof was niet zomaar iemand die bepaalde theorieën over de natuur of over de werking van het menselijk lichaam aanhing. Een filosoof was een wijze in de ware zin van het woord. Een filosofisch gevormde arts moest een gecultiveerd en geestelijk hoogstaand iemand zijn. Hij mocht zich niet beperken tot puur praktische kennis en tot de feiten en feitjes van zijn vak, maar moest een brede algemene vorming hebben. Kennis van de natuur werd misschien wel belangrijker gevonden als vorming voor het karakter dan vanwege de direkte toepasbaarheid.
Hippokrates staat aan het begin van een medische theorievorming, waarbij gedachten werden geformuleerd op basis van algemene theorieën. Maar in zijn praktijk gaat hij vooral af op waarneming en ervaring. De algemene theorieën zijn uiteindelijk meer een middel om zijn gedachten te ordenen en te systematiseren, dan een leidraad voor de behandeling. Dit schijnbaar onwetenschappelijke aspekt aan Hippokrates is echter misschien wel belangrijker dan het eerste. Sinds de oudheid is geneeskunde onderwezen als een wetenschap. Artsen hebben hun patiënten behandeld op basis van allerlei theorieën over de werking van de natuur. Tot voor kort waren zulke theoriën echter van weinig hulp. Zij waren bovendien steeds aan veranderende inzichten en modes onderhevig. Zorgvuldig waarnemen en diagnostiseren echter, met oog voor alle details en omstandigheden, is in alle omstandigheden waardevol. Zelfs tegenwoordig is geneeskunde meer dan het klakkeloos toepassen van recepten. Mensen zijn nu eenmaal geen machines. De geschriften van Hippokrates hebben niet alleen de theorie van de lichaamssappen verbreid, maar vooral ook ook tweeduizend jaar lang deze aandacht voor het individu en deze standaard van zorgvuldigheid hooggehouden.
Verschillende elementen, oude en nieuwe, strijden bij Hippokrates om de voorrang. Een reden dat hij zoveel eeuwen lang zo velen heeft gefascineerd, is misschien wel zijn ongrijpbaarheid. Omdat in zijn geschriften de latere ontwikkelingen nog niet duidelijk zijn uitgekristalliseerd, bevatten zij veel dat vertrouwd is, maar ook veel verrassends dat toch tot nadenken stemt.
Rienk Vermij

Georgius Agricola – een renaissancegeleerde over mijnbouw

In 1556 publiceerde de humanist Georgius Agricola zijn boek De re metallica. De titel betekent zoveel als “metalenkunde”. Het werk behandelt de mijnbouw en alles wat daarmee samenhangt. Het geldt als een van de grote wetenschappelijke werken van de Renaissance. Het bracht de overgeleverde ervaringskennis van de mijnwerkers samen met de klassieke geleerdheid van de humanisten.

Mijnbouw werd reeds bedreven in de prehistorie. Bij het Limburgse Rijckholt zijn de resten bewaard van oude vuursteenmijnen die daar rond 3000 voor Chr. moeten zijn aangelegd. In de bronstijd en ijzertijd werd de winning en bewerking van metaalertsen van belang. Machtige staten als het Romeinse Rijk konden alleen bestaan dankzij de beschikbaarheid van voldoende metalen en andere grondstoffen. De geschiedenis van de westerse beschaving is onlosmakelijk met de mijnbouw verbonden.
De prehistorische mijnen bij Rijckholt bestaan al uit een omvangrijk ondergronds tunnelcomplex. Niettemin werden delfstoffen aanvankelijk vooral gewonnen aan de oppervlakte of in ondiepe open groeven. Met de toenemende vraag naar metalen werden steeds ingewikkelder mijnstelsels aangelegd. Naarmate de tunnels dieper werden, werden ook aan afwatering en ventilatie steeds hogere eisen gesteld. Geleidelijk aan deden allerlei technische vernieuwingen in de mijnbouw hun intrede.
In West-Europa begon voor de mijnbouw een bloeiperiode in de Middeleeuwen. De eerste belangrijke mijnen hier waren die bij Goslar in de Harz, die in de tiende eeuw in gebruik werden genomen. Een andere beroemde mijnstad is Falun in Zweden. Hier wordt al sinds de dertiende eeuw tot op de dag van vandaag koper gewonnen. De opkomst van de westeuropese mijnbouw hangt uiteraard nauw samen met het toenemend gewicht van West-Europa op het toneel van de wereldgeschiedenis.
In de geschiedenisboeken wordt traditiegetrouw meer aandacht besteed aan veldheren, koningen en kunstenaars dan aan zaken als mijnbouw en technologie. Toch waren deze het die de bloei van de westeuropese beschaving voor een belangrijk deel hebben mogelijk gemaakt. Het gebrek aan belangstelling is aan de andere kant echter wel begrijpelijk. Over de Middeleeuwse mijnbouw is maar heel weinig bekend.
De geheimen van het vak

Mijnbouw was een zaak van vakmensen die hun kennis in het algemeen niet aan de grote klok hingen. Ten aanzien van het opsporen van ertsen, het aanleggen en onderhouden van mijngangen en alle technische hulpmiddelen die daarbij kwamen kijken, en het winnen van het metaal uit de erts had zich in de loop van de tijd een omvangrijke ervaringskennis opgebouwd. Deze kennis werd mondeling overgeleverd binnen een kleine groep van technici en mijnopzichters. Deze mensen bekleedden in de Middeleeuwen eenzelfde vooraanstaande rol als de bouwmeesters van de grote kathedralen, of misschien ook alchemisten. Het was een kleine, cosmopolitische elite waarbinnen de bestaande kennis werd doorgegeven en ontwikkeld.

Hun kennis was voor een deel waarschijnlijk nog afkomstig uit de klassieke oudheid. Via allerlei wegen, onder andere via het Byzantijnse Rijk, kunnen oude Romeinse technieken West-Europa hebben bereikt. Maar het staat vast dat de mijnbouwtechniek ook in West-Europa zelf in de Middeleeuwen een stormachtige ontwikkeling doormaakte.
Zoals gezegd, we weten hier maar heel weinig van. Onze kennis van de Middeleeuwse mijnbouw berust vooral op archeologische overblijfselen en op de juridische organisatie die de mijnbouw omgaf. Mijnwerkers, en vooral mijnbouwspecialisten, stonden hoog in aanzien en genoten allerlei privileges.
Slechts enkele schrijvers uit die tijd zeggen iets over de mijnbouw zelf. Gedeeltelijk was dat omdat deze kennis, zoals gezegd, heel moeilijk toegankelijk was. Maar ook vonden ze het eenvoudigweg niet de moeite waard om er over te schrijven. Mijnbouwspecialisten mochten dan in aanzien staan, het bleven toch (in het algemeen ongeletterde) handwerkslieden. Geleerden en andere schrijvers hielden zich liever met hogere dingen bezig en zagen neer op zoiets banaals als handwerk.
Agricola: een geleerde en het handwerk

Pas in de Renaissance verandert dat. In deze tijd verlieten vele geleerden deze hooghartige houding en legden een levendige belangstelling aan de dag voor allerlei onderwerpen die voorheen als onbelangrijk golden. Door de verbeterde verkeersmiddelen en de uitvinding van de boekdrukkunst werd kennis veel eenvoudiger verspreid dan vroeger. In 1500 verscheen het eerste gedrukte boek dat gewijd was aan mijnbouwkunde, het “nutzlich bergbuchleyn” van Ulrich Rulein von Calw. Het belangrijkste werk in dit genre echter waren de twaalf boeken De re metallica van Georgius Agricola, verschenen in 1556.

Agricola (zijn eigenlijke naam was Georg Bauer) werd geboren in 1494 in Glauchau in Saksen. Hij was het type van de geleerde humanist, de universele geleerde van de Renaissance. Hij was bevriend met Erasmus, die zijn werk krachtig bevorderde. Zijn hoofdberoep was dat van arts, maar hij studeerde alle bekende wetenschappen van zijn tijd. In zijn jeugd onderwees hij een poosje Latijn en Grieks; in deze tijd publiceerde hij ook een Latijnse grammatica. Van 1524 tot 1526 verbleef hij in Italië, het Mekka van de wetenschap in die tijd.
In 1526 keerde hij terug naar Duitsland en in 1527 werd hij benoemd tot stadsarts en apotheker van de stad St. Joachimsthal in het Ertsgebergte. St. Joachimsthal (het huidige Jachymov in Tsjecho-Slowakije) was pas enkele jaren eerder, in 1515, ontstaan na rijke zilvervondsten ter plaatse. In de tijd van Agricola was het al een van de belangrijkste mijnbouwcentra van Europa. Uit het hier gewonnen metaal werd een nieuwe, zware zilveren munt geslagen. Men noemde deze munt naar de plaats van herkomst Joachimsthaler. Afgekort tot “Thaler” werd dit woord weldra de benaming van alle zilveren munten van dit type. Daarvan komt onder andere ons woord “daalder” en het Engelse “dollar”.
Rond 1533 moet Agricola zijn teruggekeerd naar zijn vaderland Saksen. Hij vestigde zich in Chemnitz waar hij de tijd vond om veel te schrijven en te publiceren. Zoals dat een geleerde van zijn tijd betaamde schreef hij over allerlei onderwerpen: geschiedenis, oude maten en gewichten, medische onderwerpen, theologie, enzovoort. Daarnaast werd hij actief betrokken in de politiek van zijn tijd. Hij werd burgemeester van Chemnitz en raadsheer van de hertogen van Saksen. Als zodanig nam hij deel aan verschillende rijksdagen en vredesbesprekingen die werden gehouden in verband met de godsdienstoorlogen in Duitsland.
Zijn grootste belangstelling ging evenwel uit naar allerlei onderwerpen die samenhingen met de mijnbouw. Hij publiceerde geschriften over mineralen en over wat wij nu geologie zouden noemen. Hij wijdde ook een geschrift aan onderaardse stromen en, voor ons begrip wat merkwaardig, hij schreef een boek over ondergrondse dieren. Zijn hoofdwerk evenwel is het in twaalf boeken geschreven De re metallica. Het was Agricola’s laatste werk. Na het persklaar te hebben weggezonden overleed hij, in 1555. Het boek verscheen het volgende jaar, in 1556.
Een levenswerk

Agricola schreef zijn boek in de toenmalige geleerdentaal, het Latijn. De re metallica betekent letterlijk zoiets als “over metaalkunde”, maar dat geeft de inhoud niet goed weer. Het werk geeft een overzicht van alles wat met de mijnbouw te maken heeft. Agricola behandelt niet alleen metalen, al geeft hij daaraan de meeste aandacht, maar ook de winning en bereiding van stoffen als zout, salpeter, zwavel en glas.

Hoewel het het laatste boek is dat Agricola publiceerde, moet hij er al in St. Joachimsthal aan zijn begonnen te schrijven. Bij elkaar heeft hij er dus ruim vijfentwintig jaar aan gewerkt. Hoewel hij ook de mijnbouw in zijn eigen land Saksen grondig had bestudeerd (Freiberg in Saksen was een belangrijk mijnbouwcentrum) liggen aan dit werk toch vooral de ervaringen ten grondslag die Agricola als stadsarts van St. Joachimsthal had opgedaan.
In deze stad had hij zich grondig in de mijnbouw verdiept. Gedeeltelijk was deze belangstelling beroepsmatig: er kwamen te St. Joachimsthal veel echte mijnwerkersziekten voor. Maar voor het grootste deel was het pure wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Hij bezocht voortdurend de mijnen en werkplaatsen en maakte hele studiereizen om zijn belangstelling te bevredigen.
Van het grootste belang was de omgang die hij had met enkele vooraanstaande mijndeskundigen. Agricola wist klaarblijkelijk hun vertrouwen te winnen, gedeeltelijk natuurlijk doordat hij als arts zelf ook nauw bij hun werk betrokkken was. Ook Agricola kwam niet alle geheimen van het vak te weten. Maar dankzij deze mensen had hij toch toegang tot een grote hoeveelheid ervaringskennis die anders verborgen zou zijn gebleven.
Een van zijn mijnwerkersvrienden, een zekere Lorenz Berman, werd de hoofdpersoon in een dialoog die hij nog vanuit St. Joachimsthal publiceerde. Deze dialoog, waarin voornamelijk mijnbouwkundige kennis wordt behandeld, valt te zien als een soort voorstudie voor zijn latere De re metallica.
Technische uiteenzettingen

In het boek wil Agricola een omvattend overzicht geven van alles wat met de mijnbouw samenhangt. Zo spreekt hij over de organisatie van het mijnwezen en de diverse functies in de mijnen. Ook geeft hij praktische adviezen, bijvoorbeeld dat het niet verstandig is om een onderneming te beginnen in een land waarvan de heerser een despoot is. Zo’n advies is wel tekenend voor de tijd waarin hij leefde.

Ook spreekt hij over de verschillende soorten ertsaders en de manier om ze op te sporen. Hoewel hij hiertoe de traditionele manieren van de mijnwerkers zorgvuldig heeft onderzocht, neemt hij toch niet alles voor zoete koek aan. Als man van de wetenschap wil hij de overgeleverde meningen kritisch bezien. Zo staat hij sceptisch tegenover het gebruik van de wichelroede, waarmee velen in die tijd metaalertsen op het spoor hoopten te komen. Als wetenschapper probeert hij ook een theorie te vormen hoe de ertslagen ontstaan zijn.
Het belangrijkst in het boek zijn echter de technische uiteenzettingen. Hij het behandelt zowel het eenvoudige mijnwerkersgereedschap als ook de ingewikkelde installaties die de mijnen moesten ontwateren, ventileren. Verder de manier om een mijn aan te leggen en al dat soort dingen meer.
Behalve van de eigenlijke mijnarbeid, geeft hij ook een uitvoerige technische omschrijving geeft hij ook van de vele manieren om de ersten te reinigen en te bewerken en om er vervolgens de metalen aan te onttrekken; en om zo nodig de aldus gewonnen metalen van elkaar te scheiden. Wie een mijn bezat, had veelal ook de zorg voor de verdere bewerking van het erts. Zoals gezegd spreekt Agricola daarbij ook over andere delfstoffen dan metalen.
Wat het boek daarbij buitengewoon waardevol maakt zijn de vele illustraties waarmee Agricola het illustreerde. Hij zag in dat technische beschrijvingen in woorden alleen niet voldoende zijn om een duidelijk beeld van de bedrijvigheid te geven. Daarom verzorgde hij duidelijke afbeeldingen van alle gereedschappen, installaties en constructies die hij besprak. Deze talrijke afbeeldingen hebben aan de roem van het boek enorm bijgedragen.
Een nieuw onderwerp

Het allereerste gedeelte van het boek heeft een wat ander karakter dan de rest. Dit is een soort inleiding. Agricola spreekt hier over de mijnbouw in het algemeen. Als een echte renaissancegeleerde doet hij dat met een vloed van geleerdheid en een groot aantal aanhalingen uit klassieke auteurs. Hij wil aantonen dat de mijnbouw een nobel bedrijf is waar ten onrechte op wordt neergezien. Kortom, dat het een waardig onderwerp is om behandeld te worden door een geleerde als hij, Agricola.

Met die inleiding geeft Agricola ook meteen het vernieuwende van zijn werk aan. Vroegere auteurs schreven immers niet over dergelijke onderwerpen. Agricola had, zoals een geleerde betaamt, naarstig allerlei oude schrijvers op het onderwerp nageslagen, maar de oogst was zeer mager geweest. Nagenoeg zijn hele boek berust op eigen waarneming en onderzoek.
Voor ons is dat alleen maar te prijzen. Maar Agricola meende zich nog te moeten verdedigen dat hij zoiets nieuws aanvatte. De klassieke schrijvers golden als het alfa en omega in de wetenschap. Agricola was bang dat men het hem kwalijk zou nemen dat hij zo maar op eigen houtje het pad van de klassieke auteurs verliet. Vandaar zijn uitvoerige verdedigen van zijn onderwerp.
Het resultaat is een boek dat er zijn mag: een lijvig, fraai geïllustreerd werk boordevol met informatie die niet uit andere bron bekend is. Een soort encyclopedie van de mijnbouw en de techniek uit de tijd van de Renaissance.
Maar bovendien was het een boek dat de aandacht van de geleerden vestigde op zaken die normaal buiten hun belangstelling lagen. Een boek dat er op wees dat er ook buiten de klassieke schrijvers dingen waren die de moeite van het weten waard waren en dat een voorbeeld stelde van nauwkeurig, onafhankelijk onderzoek. Daardoor hielp het tevens een nieuw soort wetenschap vestigen.
Handwerkers en wetenschappers

Er is onder historici veel gediscussieerd over de vraag of de praktische handwerkslieden nu wel of niet een rol hebben gespeeld in de “wetenschappelijke revolutie”, het ontstaan van de moderne natuurwetenschap. Degenen die menen van wel, wijzen er op dat de pioniers van de moderne natuurwetenschap veelal mensen waren met een praktische instelling (bijvoorbeeld Galilei of Simon Stevin). De traditionele middeleeuwse geleerdenstand, zoals die aan de universiteiten bestond, heeft vrijwel geen bijdrage geleverd.

Tegenstanders van dit idee wijzen er echter op dat de pioniers van de natuurwetenschap toch wel allemaal waren gevormd in de traditie van geleerdheid van hun tijd, ook al namen ze daar later afstand van. Werkelijke handwerkslieden zijn onder hen zeldzaam. In het algemeen baseerden handwerkslieden zich meer op traditie en ruw “gissen en missen” en waren ze niet erg geïnteresseerd in het opstellen van theorieën.
Maar ook als we aannemen dat wetenschap vooral een zaak was van geletterde of zelfs universitair gevormde mensen, dan was er toch een impuls nodig om deze mensen de beperkingen van hun ouderwetse opleiding te doen beseffen. De natuurwetenschap zou nooit zijn ontstaan als de geleerden maar voortdurend fraaie filosofische theorieën waren blijven verzinnen zonder hun handen vuil te willen maken. De natuurkunde is mede gebaseerd op instrumenten en proefnemingen.
Daarom is het boek van Agricola ook historisch van groot belang. Het is een van de eerste werken waarin op geleerde wijze over praktische zaken wordt gesproken. Het boek heeft de belangstelling voor zulk praktisch onderzoek en voor techniek zeker aangewakkerd. Juist voor de wetenschap heeft het daardoor veel betekent.
De technische traditie

Wat Agricola nog niet heeft vermoed, is dat de wetenschap de techniek of het handwerk ook wel eens behulpzaam zou kunnen zijn. Dat mensen met een theoretische scholing de gebruikte apparaten en methoden onder de loep zouden nemen en op basis van hun theoretische kennis zouden proberen te verbeteren. Agricola heeft de praktijk van de handwerkslieden alleen maar willen beschrijven. Een enkele keer gaf hij als geleerde een oordeel gaf over de gebruikte methoden of de ideeën daar achter. Maar eigen uitvindingen heeft hij niet gedaan. Hij bleef uiteindelijk een boekengeleerde.

Pas in een volgende generatie drong het besef door dat de wetenschap gebruikt kon worden om de techniek te verbeteren, of zelfs de hele samenleving. Voor iemand als Agricola was die stap kennelijk nog te groot. Dat latere geleerden die stap wel konden maken was echter tevens te danken aan het feit, dat zij door Agricola al op een nieuw spoor waren gezet.
Overigens haalden die vroege pogingen om de wetenschap op de techniek los te laten nog niet veel uit. De praktische belemmeringen waren daarvoor te groot. Pas eeuwen na Agricola waren wetenschap en techniek zo ver ontwikkeld, dat ze voor elkaar waardevol konden zijn. De vervlechting van wetenschap en techniek is in hoofdzaak het werk van de negentiende eeuw.
In de tijd van Agricola was de techniek nog geheel en al een zaak van handwerkslieden die zonder theoretische kennis, maar met veel ervaring en niet te vergeten veel inventiviteit een verbluffende hoeveelheid werk verzetten. Onze tijd kent nu ongeëvenaarde wetenschappelijke en technische mogelijkheden. Niettemin is dat slechts mogelijk doordat wij voortbouwen op een technologische traditie van eeuwen her. En van deze traditie is De re metallica een waardig monument.
Rienk Vermij
Samenvatting

Dit artikel bespreekt het boek De re metallica van de humanist Georgius Agricola. Dit boek, verschenen in 1556, is een overzicht van alles wat met de mijnbouw samenhangt. Het is een monument van het technisch vernuft van vroeger. Daarnaast is het, omdat het een voor de geleerden van die tijd nieuw soort onderwerp behandelt, een mijlpaal in de geschiedenis van de wetenschap.

Literatuur

Er bestaan twee moderne vertalingen van het boek van Agricola. De oudste is een Engelse vertaling, onder de titel De re metallica, door H.C. Hoover en L.H. Hoover. Deze verscheen oorspronkelijk in 1912, uitgegeven door The mining magazine; in 1950 verscheen hiervan een herdruk bij Dover in New York. De tweede is een Duitse vertaling, bezorgd vanuit het Deutsches Museum in München: Georg Agricola, Zwolf Bücher vom Berg- und Hüttenwesen (Berlijn 1928). Vertalen van het werk van Agricola is, vanwege de vele verouderde technische begrippen, niet eenvoudig, maar beide vertalingen zijn met grote zorg uitgevoerd.

Simon Stevin – een man van spiegeling en daad

Verschenen in EOS-magazine, december 1998, p. 104-106: www.eos.be

350 jaar geleden, in 1548, werd in Brugge Simon Stevin geboren. Als uitvinder en ingenieur is hij beroemd geworden. De meeste mensen kennen zijn naam van de lagere of middelbare school. Maar niet iedereen weet waarin zijn betekenis nu precies ligt.

De naam van Simon Stevin is bij het grote publiek vooral verbonden met enkele anecdotes. Zijn bekendste wapenfeiten zijn de zeilwagen die hij voor Prins Maurits bouwde, en zijn boek over de tiendelige breuken. Maar die feitjes zeggen weinig over zijn betekenis als geleerde. De zeilwagen was vooral een aardigheidje om de prins mee te vermaken. Hij was alleen bruikbaar voor plezierritjes langs het strand van Noord-Holland. Veel nut had hij verder niet en met het ontwerp is verder ook niets gebeurd.
De tiendelige breuken zijn wel bekend gebleven. Zij worden zelfs nog dagelijks gebruikt, en dat is inderdaad vooral Stevins verdienste. Het gaat om een voor de praktijk heel handige notatie. Maar ze zijn niet door Stevin zelf bedacht. Anderen waren al eerder op het idee gekomen. Stevin heeft ze alleen krachtig aanbevolen.
Het is terecht dat Simon Stevin zo beroemd is geworden, maar zijn betekenis valt niet zo maar in enkele anecdotes, of in een lijstje belangrijke uitvindingen, samen te vatten. Om zijn betekenis te begrijpen moeten we iets dieper ingaan op zijn leven en de manier waarop hij zijn vak opvatte.

Een onopvallend bestaan

Afgaand op wat er over het leven van Simon Stevin bekend is, gold hij in zijn tijd niet als een heel belangrijk man. Zijn bestaan speelde zich grotendeels in de schaduw af. Hij werd geboren in Brugge in 1548, waarschijnlijk als een onecht kind, en hij overleed in Den Haag in 1620. Maar zelfs de precieze data van geboorte en overlijden zijn niet bekend. In zijn jonge jaren bekleedde hij in Brugge een klerkenbaantje. Later verhuisde hij naar Holland. Daar vestigde hij zich als wiskundige en ingenieur. Het is niet bekend waar hij zijn opleiding heeft gehad.

Als ingenieur heeft Stevin zich vooral bezig gehouden met het ontwerpen van windmolens, het uitbaggeren van havens, en dergelijke zaken meer. Op een goed moment moet hij daarbij de aandacht hebben getrokken van de Hollandse stadhouder Maurits, die toen nog een jonge man was. Maurits had veel belangstelling voor wiskunde en hij nam Stevin in dienst als adviseur en wiskundeleraar. Als adviseur van de stadhouder kwam Stevins ingenieurswerk steeds meer bij het militaire bedrijf te liggen. Hij hield zich bezig met de opbouw van het legerkamp en ontwierp vestingen.
Tot zover niet veel bijzonders. Ingenieurs van dit slag, “vernuftelingen” worden ze wel genoemd, liepen er in Europa toendertijd talloze rond. Het was een tijd van ontdekkingsreizen, bevolkingsgroei en een bloeiende economie. Er was geld te verdienen voor mensen met mechanisch en praktisch inzicht, die hun vernuft gebruikten om nieuwe oplossingen te verzinnen voor technische problemen. In de Nederlanden waren het vooral de scheepvaart en de inpolderingen die zulke nieuwe mogelijkheden schiepen. Vandaar dat Stevin zich toelegde op havens en windmolens. Elders ontwikkelden zich andere typen ingenieurs. In Duitsland vond men ze vooral in de mijnbouw.
Militaire ingenieurs kwamen oorspronkelijk uit Italië. Maar met de Tachtigjarige Oorlog ontstond er ook in onze streken dringend behoefte aan deskundigen op het gebied van vestingbouw en oorlogvoering. Stevin heeft van deze ontwikkeling geprofiteerd, maar als militair ingenieur heeft hij toch maar een bescheiden rol gespeeld. Zijn werkzaamheden hadden lang niet de omvang van die van iemand als Adriaan Anthonisz. uit Alkmaar, de belangrijkste vestingbouwer van de Nederlandse Republiek.

Theorie en praktijk

Er is echter een groot onderscheid tussen Stevin enerzijds en de grote hoop van vernuftelingen anderzijds. Stevin zag zichzelf niet als louter een praktische problemenoplosser. Hij wilde zijn werk ook een theoretische basis geven. Techniek was voor hem een toepassing van theoretische kennis. Theorie en praktijk of, zoals hij het noemde, “spiegeling” en “daad” dienden hand in hand te gaan.

Dat betekent overigens niet dat de theorie uitsluitend op de toepassing gericht was. De theoretische beginselen waar Stevin van uitging waren abstract en wiskundig. Om de praktijk te doorgronden, diende je om te beginnen elke gedachte aan toepassingen overboord te zetten. Die kwamen pas daarna, als de theorie eenmaal af was. Met andere woorden, de kennis van in de praktijk nuttige beginselen moest als een echte wetenschap beoefend worden.
Dit was voor die tijd iets nieuws. Een geleerde in de zestiende eeuw was geen wiskundige en al helemaal geen technicus. De status van geleerdheid kreeg men alleen door het lezen van zeer veel oude geschriften, door een superbe kennis van Grieks en Latijn. Geleerden hielden zich bezig met allerlei diepzinnige, maar abstracte vragen, niet met zo iets banaals als het bouwen van windmolens. Maar voor Stevin was de kennis van de principes volgens welke machines werken niet minder een echte wetenschap dan de kennis van oude talen.
Stevin legde zich daarom niet alleen toe op de praktijk, maar ook op de theorie. De belangrijkste wetenschap voor een praktijkgericht ingenieur als Stevin was de wiskunde, en dan in het bijzonder de mechanica. De mechanica was de leer van werktuigen en constructies, krachten en belastingen. Als onderdeel van de wiskunde bestond het vak al in de klassieke oudheid. De theorie was rond het jaar 200 voor Christus ontwikkeld door Archimedes. Maar met het werk van Archimedes was sindsdien niets meer gebeurd. Na zo’n zeventienhonderd jaar was Stevin de eerste die zich weer op de theorie van de mechanica toelegde en het vak verder ontwikkelde.
Dit gold ook voor de hydrostatica, een min of meer zelfstandig onderdeel van de mecanica. Het is de theorie van drijvende lichamen en van het gewicht van vloeistoffen. Ook hier had Archimedes baanbrekend werk verricht. De “wet van Archimedes” over de opwaartse druk is nog altijd bekend. Stevin was de eerste die het vak na de klassieke oudheid weer oppikte en verder ontwikkelde. Hij formuleerde het beginsel dat de druk op de bodem van een vat alleen afhankelijk is van de hoogte van de vloeistofspiegel daarboven, en niet van de hoeveelheid vloeistof die daadwerkelijk op de bodem van het vat drukt. (Die hoeveelheid wordt mede bepaald door de vorm van het vat.) De druk kan daarmee groter zijn dan het totale gewicht van het water dat er op drukt. Men noemt dit wel de “hydrostatische paradox”.
Stevins luidde met zijn beoefening van de theoretische mechanica een nieuw tijdperk in de wetenschap in. In de eerste plaats omdat hij de eerste was die dit vak zo beoefende. In de tweede plaats omdat hij een dergelijk vak beschouwde als een echte wetenschap. Hij beschouwde zichzelf als een nieuw soort geleerde, die de voorstanders van de oude boekenwijsheid naar de kroon stak.

Wiskunde als wetenschap

Wat voor de mechanica gold, gold voor eigenlijk alle takken van de wiskunde. De wiskunde was voor Stevin niet een abstracte bezigheid zonder contact met de dagelijkse praktijk. Maar het was ook niet simpel een verzameling trucjes om bepaalde praktische problemen op te lossen. Het was een volwaardige wetenschap, maar wel een die zijn rechtvaardiging vooral vond in het belang voor de praktijk.

Stevin schreef een groot aantal boeken over wiskundige onderwerpen. Lang niet al deze boeken behandelen fundamentele inzichten of opzienbarende ontdekkingen. Integendeel, vaak zijn het meer een soort leerboeken. Bestaande kennis wordt uiteen gezet met het doel om onkundigen te onderwijzen. Zulke boeken schreef hij over rekenkunde, meetkunde, het berekenen van rente, en dergelijke.
Dit klinkt heel praktisch en banaal, maar in Stevins tijd was het wel degelijk iets nieuws. De meeste wiskundigen in die tijd waren er helemaal niet happig op om hun kennis aan de grote klok te hangen. Als iedereen zo maar wiskunde kon leren, wat viel er dan nog voor de wiskundigen zelf te doen? De meesten beschouwden hun kennis als een soort bedrijfsgeheim, dat ze alleen voor veel geld openbaar wilden maken. Iemand die bij een wiskundige in de leer ging om bepaalde problemen te leren oplossen, moest in het algemeen beloven dat hij zijn kennis zonder goedkeuring van zijn leermeester niet verder zou verspreiden.
Stevin daarentegen ging er van uit dat wiskundige kennis belangrijk was voor de samenleving en daarom zo veel mogelijk bevorderd moest worden. Dat is ook de reden dat hij de tiendelige breuken propageerde: hoe eenvoudiger de notatie, hoe meer mensen de berekeningen konden snappen. Om dezelfde reden schreef hij zijn boeken niet in de taal van de geleerden, het Latijn, maar eiste hij dat wetenschap werd behandeld in het Nederlands.
Stevin, met andere woorden, was niet zo maar een handelaar in wiskundige trucs. Wiskundige kennis was belangrijk voor de samenleving en moest daarom verbreid en verder ontwikkeld worden. Het was kennis die net zo goed een sleutel tot de werkelijkheid bood als de studie van de geschriften van antieke filosofen. Wat Stevin voorstond was een nieuw wetenschapsideaal.
De “moderne wetenschap” bestond in de zestiende eeuw nog niet. Vandaar dat een origineel wiskundige als Stevin in zijn eigen tijd weinig aanzien genoot. Voor zijn tijdgenoten was hij gewoon een van de vele ‘vernuftelingen’ die er rondliepen: mensen met nuttige, praktisch inzetbare kennis. Pas op grond van het nieuwe ideaal, dat hij zelf hielp ontwerpen en verbreiden, kunnen we zijn prestaties naar waarde schatten. Maar meer dan om zijn wetenschappelijke resultaten op zich, verdient Stevin het om herdacht te worden vanwege zijn nieuwe aanpak.

Vallen en opstaan

De mechanica was, zeker achteraf bezien, het meest voor de hand liggende gebied waar Stevin zijn nieuwe wetenschapsideaal in praktijk kon brengen. Het was ook het gebied waar hij zijn belangrijkste resultaten boekte. Maar hij wenste zich geenszins tot dit gebied te beperken. De geestdrift voor zijn nieuwe ideaal bracht hem er toe vele andere gebieden te behandelen: scheepvaart, stadsplanning, en zelfs logica en staatkunde. Hier was Stevin niet altijd even succesvol. Het hoge idee dat Stevin van de wiskunde koesterde verleidde hem soms tot redeneringen op gebieden waar hij eigenlijk niet goed thuis was. Zo stelde hij in de muziekleer een nieuwe indeling van het octaaf voor. Wiskundig zat die perfect in elkaar, alleen was hij niet om aan te horen – en daar gaat het toch om in de muziek. Hier verloor Stevin de verhouding tussen theorie en praktijk duidelijk uit het oog.

Dat hij zich niettemin ook op zulke terreinen waagde is niet verbazend. Het zou vreemd geweest zijn als Stevin meteen alle consequenties van zijn ideeën tot in details had kunnen overzien. Hij stond aan het begin van een ontwikkeling. Hij had een vermoeden van de richting waarin het verder moest, maar echte vooruitgang kon slechts worden geboekt via gissen en missen. Iedere pionier heeft het recht fouten te maken. Het zou niet billijk zijn om Stevins missers streng te veroordelen. Maar we hoeven ze ook niet te verdonkeremanen. Juist die voortdurende neiging om zijn krachten te overschatten laat zien hoe geestdriftig Stevin was voor zijn ideaal, en hoe nieuw, onzeker en gedurfd zijn ideeën eigenlijk wel waren. Die schaduwzijde vormt een wezenlijk deel van zijn portret; hij geeft het geheel alleen maar meer reliëf.
Rienk Vermij

Een onverwachte vondst: 394 brieven van Hugo de Vries (Ida Stamhuis)

Eerder verschenen in NVOX 19 (1994), 438-440.
 
Op 28 mei 1903 schreef onze wereldberoemde landgenoot Hugo de Vries (1848-1935), hoogleraar in de plantkunde aan de Gemeenteuniversiteit te Amsterdam:
 
    Want het slot van het geheele boek is toch, dat ik niet gevonden heb wat ik zocht, nl. de methode om kunstmatige mutaties te doen ontstaan, en feitelijk ben ik daarvan nog even ver af, als vóór 15 jaar. Ik wil nu echter trachten zooveel mogelijk alleen dit doel voor oogen te houden. Want als ik dat middeltje vinden kan, zal denk ik, wel de laatste twijfel aan de mutatieleer moeten verdwijnen.

“Een onverwachte vondst: 394 brieven van Hugo de Vries (Ida Stamhuis)” verder lezen

Over ouderdom en middelen om lang en gezond te blijven leven (Annemarie de Knecht)

Eerder verschenen als: A. de Knecht-van Eekelen, ‘Gifslang en gladiatorenbloed’, Synaps 2 nr. 6 (1994) 4-7.

Een mens is zo oud als hij zich voelt

Oud is een betrekkelijk begrip. Een kind van tien vindt zijn moeder van 35 oud, maar dat vindt zij zelf helemaal niet, nee, oud is haar vader van 60. Maar die rekent zich echt nog niet tot de 60-plussers en zo praat een oma van 80 meewarig over `dat oudje in het verpleeghuis’ die bij navraag 78 blijkt te zijn. Oud-zijn hangt niet alleen samen met de kalenderleeftijd, maar ook met de mate van hulpbehoevendheid. Oud-worden is geen ziekte zoals Galenus al betoogde, maar ouderen kunnen wel ziek zijn en hebben dan vaak specifieke klachten. Gezonde ouderen die deelnemen aan het maatschappelijk leven, lijken dus jonger dan hun minder kwieke leeftijdsgenoten. Als deze verschillen in perceptie van de ouderdom tegenwoordig al zo groot zijn, hoe kunnen wij ons dan een beeld vormen over wie oud was in het verleden?

“Over ouderdom en middelen om lang en gezond te blijven leven (Annemarie de Knecht)” verder lezen