Efficiency. Excellentie. Professionalisering. Rendementsverbetering. Transparantie. Elke universitaire beleidsnota staat tegenwoordig bol van dergelijke termen. Als ze iets duidelijk maken, is het dat de universiteiten onder grote druk staan. Voor een deel hebben de universiteiten zich die druk zelf opgelegd. Ze willen zich onderscheiden, beter zijn dan de andere. Voor een veel groter deel is de druk afkomstig van buiten. Universiteiten moeten met minder geld meer studenten in kortere tijd aan een bul helpen en tegelijkertijd zo efficiënt mogelijk excellent onderzoek doen waarvan het profijt voor de samenleving maximaal is. Om aan al deze wensen tegemoet te komen, wringen zij zich in de ene reorganisatie na de andere, volgens telkens nieuwe managementmodellen die nog beter op een instelling als een universiteit toegesneden schijnen dan de vorige. Een onbedoeld neveneffect van deze ontwikkeling is dat het aantal ambtenaren en managers dat de rendementsverbetering in het onderwijs, de ondersteuning van het onderzoek, het bewaken van de efficiency en wat niet al in goede banen moet leiden, aan de universiteit explosief is toegenomen. Dat heeft weer tot gevolg dat alom de klacht wordt aangeheven dat de universiteit is overgenomen door managers. Hoe heeft het zover kunnen komen met de universiteit, waar eens het gezag van de hoogleraar vrijwel onaantastbaar was?
Vanzelfsprekend valt op het hierboven geschetste beeld het een en ander af te dingen. In de eerste plaats zijn de hoogleraren helemaal niet verdrongen door managers. Universiteiten hebben er veel diensten en afdelingen bij gekregen, die het gevolg zijn van de schaalvergroting in het onderwijs en van veranderingen in hun organisatie. Bovendien werd aan de universiteiten al gediscussieerd over en geëxperimenteerd met bedrijfsmatig beheer en professionalisering van bestuur, lang vóór zij in 1961 het beheer kregen over hun gebouwen en financiën en over hun personeelsbeleid. Zo stelde de rector van de Universiteit van Amsterdam in 1946 vast dat de universiteiten voor parttime bestuurders veel te groot werden. Hij lanceerde daarom het idee een rector magnificus voortaan voor een langere periode dan één jaar te benoemen en hem te laten bijstaan door een prorector en secretaris. Het Amsterdamse college van curatoren daarentegen zag de universiteit als een bedrijf en wilde daarom een bedrijfsleider aanstellen. Bij wijze van compromis trad in 1953 een driekoppig presidium aan, met als voorzitter de rector magnificus, die voorlopig voor drie jaar was benoemd, en als leden een kanselier-directeur van de universiteit en een prorector. Elders ontstonden andere experimentele bestuursvormen. Pas met de Wet Universitaire Bestuurshervorming kregen alle universiteiten een professionele leiding: een college van bestuur.
Het idee van de universiteit als bedrijf mag in dit geval afkomstig zijn van het curatorium, de desbetreffende curator was de bekende Utrechtse oud-hoogleraar in de scheikunde H.R. Kruyt. Geheel wezensvreemd aan de universiteit was de gedachte van een meer bedrijfsmatige en professionele aanpak van beheer en bestuur dus niet. Dat is ook niet verwonderlijk, want in de medische en de natuurwetenschappelijke faculteit fungeerden de hoogleraren-directeuren van de grote klinieken en laboratoria al geruime tijd als managers. Maar was daarmee het wetenschappelijk bedrijf ook geprofessionaliseerd? Waren de onderzoekers professionals? Daar valt een vraagteken bij te plaatsen, omdat de meesten assistent waren en doorgaans vertrokken na de voltooiing van hun proefschrift. Pas in de loop van de jaren vijftig maakten deze assistenten plaats voor de medewerker in vaste dienst. De medewerkers werden al heel snel onmisbaar in het onderwijs, maar het zou nog lang duren voordat zij een stem kregen in de inrichting van dat onderwijs in de studierichting en de faculteit.
Het heeft er veel van weg dat deze processen van professionalisering niet gelijktijdig verliepen. Wanneer en waarom professionaliseerden onderzoek en onderwijs? Wat betekende dat voor de kwaliteit van het onderzoek en het onderwijs? Was er een samenhang met de professionalisering in bestuur en beheer? Deden die processen zich voor als gevolg van druk van buitenaf of kwamen ze ook voort uit de ontwikkeling van de universiteiten zelf? Moeten we constateren dat de bureaucratisering die samenhing met de enorme groei van de universiteiten, een zichzelf versterkend proces was? Of kwamen zij voort uit de marktwerking rond de studentenwerving, die op haar beurt samenhing met de financiering van de universiteiten naar rato van het aantal studenten of het aantal behaalde diploma’s? En niet in de laatste plaats: wat betekent deze professionalisering in het hoger onderwijs voor het idee van een universiteit?
Ter bestudering van deze en hiermee samenhangende vragen organiseren het Belgisch-Nederlands genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis Gewina, het Descartes Centre for the History and Philosophy of the Sciences and the Humanities (Universiteit Utrecht) en het Huizinga Instituut op vrijdag 27 november 2009 in Utrecht het symposium ‘Het universitaire bedrijf in Nederland’.
Belangstellenden worden uitgenodigd vóór 15 juli 2009 een voorstel van maximaal 500 woorden in te dienen. De spreektijd zal ongeveer een half uur zijn. De bijdragen worden gebundeld.
Geïnteresseerden kunnen zich wenden tot prof. dr. L.J. Dorsman (Universiteit Utrecht), tel.: 030-253 6441/605 4904 of tot dr. P.J. Knegtmans (Universiteit van Amsterdam), tel.: 020-525 3342/441 0141.