- David Baneke (Universiteit Leiden)
- Klaas van Berkel (Universiteit Groningen
- Eric Jorink (Huygens Instituut – KNAW, Den Haag)
- Anton van der Lem (Universiteitsbibliotheek Leiden)
- Mart van Lieburg (Universiteit Groningen)
- Frans van Lunteren (Universiteit Leiden)
- Ilja Nieuwland (Huygens Instituut – KNAW, Den Haag)
- Jan Rock (Huygens Instituut – KNAW, Den Haag)
- Bert Theunissen (Descartes Centre, Utrecht)
- Geert Vanpaemel (Universiteit Leuven)
- Robert-Jan Wille (Radboud Universiteit, Nijmegen)
Abstracts
- Eric Jorink (Huygens Instituut – KNAW, Den Haag)
De burger en de gek. Antoni van Leeuwenhoek, Jan Swammerdam en de canonisering van kennis en karakter
De twee belangrijkste zeventiende-eeuwse pioniers op het gebied van de microscopie waren toevalligerwijs landgenoten: Jan Swammerdam (1637-1680) en Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723). De laatste is algemeen bekend, en wist het enige jaren geleden zelfs te schoppen tot de top tien van de Beroemdste Nederlander; de naam van de eerste roept bij veel minder mensen herkenning op, en wordt meestal geassocieerd met godsdienstwaanzin. De verschillen tussen beiden karakters konden inderdaad niet groter zijn, en werden al in hun eigen tijd breed uitgemeten: de nuchtere, zakelijke Van Leeuwenhoek tegenover de gedreven en somtijds gekwelde Swammerdam. Toen, na een in wetenschappelijk opzicht weinig vruchtbare periode, in de negentiende eeuw de belangstelling voor de microscopie herleefde, konden ook beide grondleggers op hernieuwde belangstelling rekenen. Mede onder invloed van het negentiende-eeuwse burgerschapsideaal werd Van Leeuwenhoek gebombardeerd tot een van de Helden van het Vaderland, terwijl de in wetenschappelijk opzicht zeker niet minde belangrijke Swammerdam werd beschouwd als een pathologisch geval: ‘bezeten en gespleten’, zoals een biograaf het uitdrukte. In deze bijdrage wil ik dieper ingaan op het ontstaan van dit beeld – dat tot op heden stand houdt – en iets zeggen over de bronnen (en bronnenkritiek) die hieraan ten grondslag liggen.
- Mart J. van Lieburg
Zelfbeeld en idealen van de Nederlandse geneeskunde in de negentiende eeuw
Temidden van de natuurwetenschappelijke disciplines neemt de geneeskunde als ‘Handlungswissenschaft’ (Rothschuh) een bijzondere c.q. afwijkende positie in. Nuttig zijn als – beperkende – doelstelling is voor de medicus van alle tijden het intrinsieke hoofddoel van zijn optreden, terwijl de onderbouwing of legitimering van zijn handelen met natuurwetenschappelijke inzichten en vertogen pas rond het midden van de negentiende eeuw de waardering kreeg die de geneeskunde tot onderdeel van de natuurwetenschappen zou maken. Door dit alles heen speelde de dichotomie van de medische beroepen c.q. de invoering van de eenheid van stand op basis van verschuivingen in de verhouding tussen theorie en praktijk een complicerende rol.
Tegen deze achtergrond zal ik in mijn bijdrage het zelfbeeld en de idealen van de Nederlandse geneeskunde proberen te detecteren aan de hand van drie seriële bronnen, namelijk de gelegenheidsredes van de Nederlandse medische genootschappen – Bonns Genootschap ter bevordering der Heelkunde voorop – voor de eerste helft van de negentiende eeuw, de openingsredes van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst in de tweede helft van de negentiende eeuw en de openingsredes van het Nederlandsch natuur- en geneeskundig Congres sinds 1887. Niet toevallig waren de laatste twee decennia van de negentiende eeuw de jaren waarin de nationale geschiedenis van de geneeskunde zijn iconen kreeg – met Boerhaave aan kop – en waarin de infrastructurele vernieuwingen van het medische bedrijf door de bouw van imposante laboratoria en klinieken tot de profilering leidde van wetenschapsidealen en ‘bedside manners’ op lokaal niveau en tot een verkaveling van het nationale zelfbeeld en de nationale idealen in lokale medische scholen en tradities.
- Frans van Lunteren (VU / Universiteit Leiden)
Eenvoud als ornament; het zelfbeeld van de Nederlandse wetenschap in de laat-negentiende eeuw
Binnen het zorgvuldig gecultiveerde zelfbeeld van de Nederlandse natuurwetenschappers aan het einde van de negentiende eeuw lijkt ‘eenvoud’ een centrale plaats in te nemen. Dit ideaalbeeld gold zowel de persoon als zijn werk. In deze voordracht wil ik proberen enig licht te werpen op aard en achtergronden van deze gewenste karakteristiek.
- Ilja Nieuwland (Huygens Instituut – KNAW, Den Haag)
Niet nuttig genoeg? Twee reizende genootschappen, één congres en vele misverstanden
Het Nederlands Natuurkundig Congres, zelf voortgekomen uit soortgelijke Europese organisaties, bracht twee soortgenoten voort: Het Nederlands Oost-Indisch Congres in 1920 en het Vlaamsch Natuur- en Geneeskundig congres, waarvan de eerste bijeenkomst plaatsvond in 1897. In veel opzichten spiegelden de Vlamingen zich aan hun noorderburen. Naast een wetenschappelijke bijeenkomst ging het ook om een sociale gebeurtenis - iets dat onder meer zijn weerklank vond in een randprogramma waarin culinaire en culturele belangstelling om voorrang vochten.
De eerste bijeenkomst van het NNGC werd in 1887 geopend door de Amsterdamse fysioloog Barend Stokvis met een rede over 'Nationaliteit en Natuurwetenschap'. Dat nationalisme, en in het bijzonder de mogelijkheden om via de Vlaamse zaak te bevorderen, was voor het Vlaams Congres vanaf het begin de belangrijkste bestaansreden. Dat feit, en het onbegrip daarover in Nederland, kwam op een bijzonder duidelijke manier aan het licht tijdens de voorbereidingen voor een gezamenlijk Vlaams- Nederlands congres dat in 1915 in Antwerpen plaats zou moeten hebben.
Een combinatie van naïviteit, politiek opportunisme, arrogantie en onoplettendheid leidde tot een moeras van misverstand waar het Antwerpse congres het onvermijdelijke slachtoffer werd. Daarmee werd duidelijk, dat het nationalisme van het NNGC in het zuiden een heel andere betekenis werd gegeven - zonder dat de Nederlanders dat helemaal begrepen.
- Bert Theunissen (Descartes Centre, Utrecht)
Het zelfbeeld van de negentiende-eeuwse natuuronderzoeker
Ons beeld van de negentiende-eeuwse natuurwetenschappen is sterk bepaald door haar bedrieglijke gelijkenis met de hedendaagse. Wie onderzoek doet naar zeventiende-eeuwse natuuronderzoekers weet dat behoedzaamheid is vereist: wetenschap in de moderne betekenis bestond nog niet, bijbel en natuur stonden in een andere verhouding, en de status van de onderzoeker werd door een ander maatschappelijk krachtenveld bepaald. In de negentiende eeuw zien we de moderne manier van wetenschap bedrijven opkomen, en begint men in voor ons schijnbaar onproblematische termen over de taak en plaats van de wetenschap en haar beoefenaren te spreken. Het effect daarvan in de geschiedschrijving is veelal geweest dat negentiende-eeuwse natuuronderzoekers werden gelezen en begrepen alsof ze twintigste-eeuwers waren. Het bekendste voorbeeld daarvan leverde Huizinga met zijn geschiedenis van de Groningse universiteit, met een in dubbele betekenis potsierlijk resultaat: met name de vroege negentiende-eeuwers schoten vanuit Huizinga’s perspectief op lachwekkende wijze tekort.
Een beter begrip van de negentiende-eeuwse onderzoekers vergt een zekere mate van vervreemding. Ze dachten niet hetzelfde als wij over wetenschap en de daarmee verbonden waarden, en evenmin over hun maatschappelijke rol. ‘Nuttige wetenschap’ kon bijvoorbeeld iets heel anders betekenen dan wat wij eronder verstaan, en kennisuitbreiding was geen vanzelfsprekende taak van het universitaire onderzoek.
In deze inleidende lezing wil ik een aantal zelfbeelden van negentiende-eeuwse natuuronderzoekers schetsen om die vervreemding te bewerkstelligen. Beoogd resultaat van deze exercitie is dat ook de intenties, de uitkomsten en de impact van hun werk met andere ogen wordt bezien.
- Geert Vanpaemel (Universiteit Leuven)
Beschaving, vrijheid, eenheid en bescheidenheid. Deugden van de Belgische wetenschap en de Belgische natie
Bij de onafhankelijkheid van België in 1830 was de Belgische wetenschap nog nauwelijks de kinderschoenen ontgroeid. Haar institutionele basis was zeer precair, haar maatschappelijke erkenning gering. Het streven naar maatschappelijke erkenning, vooral geleid door Adolphe Quetelet, de vaste secretaris van de Brusselse Academie, was een leitmotiv in de publieke representatie van wetenschap. Deze emancipatie van wetenschappers vond een natuurlijke bondgenoot in het gelijkaardige streven van de jonge Belgische natie naar internationale erkenning.
Het centrale thema in beide bewegingen was ‘beschaving’. Het bestaansrecht van het kleine België werd gelegitimeerd door de hoge graad van beschaving die het voortbracht. Wetenschap profileerde zich als een onmiskenbaar kenmerk van deze beschaving. Aan wetenschap werden waarden toegekend die de Belgische staat een plaats bezorgden op de internationale scène als een volwassen, beschaafde en onafhankelijke natie. De Belgische wetenschap vond hierdoor meer aansluiting met verlichte beschavingsidealen dan wel met de wereld van technologie en industrialisering.
De legitimering van wetenschap werd sterk ondersteund door argumenten uit de wetenschapsgeschiedenis. Heel wat negentiende eeuwse debatten over historische thema’s, in het bijzonder met betrekking tot de dramatische teloorgang van het ‘Belgische’ wetenschappelijk leven in de tweede helft van de zeventiende eeuw, waren nauwelijks verhulde commentaren op de eigentijdse situatie van wetenschap. In de lezing worden negentiende eeuwse historische en wetenschappelijke debatten gereconstrueerd als een interpretatie van het algemene beschavingsideaal van zowel de Belgische wetenschap als de Belgische natie.