Studium

De digitale toekomst

Het tijdschrift Studium is sinds maart 2011 als open-access-tijdschrift worden gelanceerd op de website van Igitur. Voor leden verandert er voorlopig weinig: zij blijven het tijdschrift op de mat krijgen zoals voorheen. Lees hier een verklaring van de redactie over deze vernieuwing.

Archieven

Vanaf eind maart 2012 zal ook het volledig archief van Gewina / Tijdschrift voor de Geschiedenis van de Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek daar weer in te zien zijn. Het archief van Scientiarium Historia zal daar in de loop van 2013 weer in te zien zijn. De archieven van Tractrix en de Nieuwsbrief Universiteitsgeschiedenis zijn overigens wel via deze site toegankelijk.

Tot die tijd…

vragen we uw geduld, maar voor dringende (aan)vragen over archiefmateriaal van Scientiarium Historia, Gewina of Studium kunt u een e-mail sturen aan Huib Zuidervaart (Huygens ING KNAW).

 

Mercator en Atlas

Ieder van ons weet wat een atlas is: een boek met kaarten. De meesten hebben ook wel eens gehoord van de Atlas uit de Griekse mythologie, die het hemelgewelf moest torsen. Maar hoe is de naam van deze mythische figuur op het boek overgegaan? Dit is te danken aan een merkwaardige samenloop van omstandigheden. De benaming “Atlas” voor een kaartenverzameling gaat terug op de Vlaamse cartograaf Gerard Mercator. Maar eigenlijk had deze met zijn atlas een heel ander soort boek op het oog.

“Mercator en Atlas” verder lezen

William Gilbert – Een zestiende-eeuws onderzoeker van het magnetisme.

Het werk van de Engelse natuurkundige William Gilbert, De magnete, uit 1600, was een mijlpaal in het wetenschappelijk onderzoek van het magnetisme, en zelfs in het experimenteel-natuurwetenschappelijk onderzoek in het algemeen. Dit ondanks het feit dat Gilbert met dit werk een natuurkunde wilde verdedigen, die allesbehalve modern aandoet.

“William Gilbert – Een zestiende-eeuws onderzoeker van het magnetisme.” verder lezen

De Geografie van Ptolemaios

Wanneer men tegenwoordig nog de naam van Ptolemaios noemt, is dat meestal bij wijze van contrast. Ptolemaios is de man van de achterhaalde theorieën. Toen Copernicus de theorie poneerde dat de aarde om de zon draait, moest hij opboksen tegen het gezag van Ptolemaios. Diens naam wordt daardoor al snel geassocieerd met obscurantisme, met onwetenschappelijkheid, met de “duistere middeleeuwen”.
Ptolemaios’ theorieën zijn natuurlijk achterhaald. Dat is ook geen schande voor een geleerde die bijna tweeduizend jaar geleden leefde. Dat wil nog niet zeggen dat hij een obscurantist was. Integendeel, in de ontwikkeling van de natuurwetenschappen is hij een belangrijke figuur. Zijn werken vatten het beste van de klassieke wetenschap samen en maakten het andere geleerden mogelijk daarop voort te bouwen.
Ik zou dit kunnen demonstreren aan zijn sterrenkunde, maar in dit Columbusjaar zullen wij liever naar zijn aardrijkskunde kijken. Het moet ons wel toeschijnen dat met de ontdekking van Amerika alle oudere wereldbeschrijvingen met een klap hun waarde verloren. In het geval van de wereldbeschrijving van Ptolemaios blijkt die veronderstelling echter niet op te gaan.
Een schrijver van handboeken

Vooreerst, wie was Ptolemaios? Over zijn leven is maar weinig bekend. Hij moet ergens in de tweede eeuw na Christus hebben gewerkt in Alexandrië, in Egypte. Egypte was toen een deel van het Romeinse Rijk, maar was daarvoor eeuwen lang geregeerd door Griekse (of Hellenistische) vorsten. In Egypte heerste daardoor de Griekse cultuur.

Alexandrië was een belangrijk wetenschappelijk centrum. De Griekse vorsten hadden hier het zogenaamde Mouseion opgericht. Dit was een soort academie waaraan belangrijke geleerden waren verbonden. Zij besteedden veel aandacht aan grammatica, maar bestudeerden ook de wiskundige vakken. Het Mouseion bezat een grote en vermaarde bibliotheek, die later helaas geheel verloren is gegaan.
Ptolemaios zelf wordt beschouwd als een Griek. Hij had een Griekse naam (voluit heette hij Klaudios Ptolemaios), hij stond in de traditie van de Griekse wetenschap en hij schreef al zijn werken in het Grieks. Hij legde zich vooral toe op de wiskundige vakken.
Hij was geen groot ontdekker, maar wel een zeer vruchtbaar schrijver. Zijn werken zijn grotendeels samenvattingen van de bevindingen van de Griekse geleerden voor hem. Het zijn eigenlijk handboeken of algemene overzichten. Maar hierin ging hij niet kritiekloos te werk. Integendeel, hij wist het werk van zijn voorgangers op wezenlijke punten te verbeteren.
Zijn bekendste en in zekere zin belangrijkste werk is de zogenaamde “Megalè syntaxis”, het “Grote systeem”. Met een aan het Arabisch ontleende naam noemt men het meestal de Almagest. In dit boek geeft Ptolemaios een theorie waarmee men de posities van de planeten vooruit kan berekenen. Aangezien hij er van uit gaat dat de aarde stil staat en alle planeten (net als zon en maan) er in cirkelvormige banen omheen draaien, wordt zijn theorie erg ingewikkeld. Niettemin, binnen de meetnauwkeurigheid die men toen kon bereiken kloppen de uitkomsten.
Dit werk was daarom terecht de “bijbel” van de Middeleeuwse sterrenkundigen. Of al die draaiingen waarmee de theorie van Ptolemaios werkte nu ook in werkelijkheid voorkwamen, of dat het systeem niet meer was dan een rekenmodel zonder hogere pretentie, was een vraag waarover men het niet eens was. Pas na de ontdekkingen van Copernicus en (vooral) Kepler in de zestiende en zeventiende eeuw, was de ingewikkelde theorie van Ptolemaios achterhaald en overbodig geworden. Dat sommige mensen ook naderhand nog bleven volhouden dat de aarde stil staat in het midden van het heelal, had filosofische of godsdienstige redenen, en is niet de schuld van Ptolemaios.
Een boek dat misschien nog wel meer gezag heeft gehad dan de Almagest is de zogenaamde Tetrabiblos. Dit boek was een handboek voor de astrologie, de sterrenwichelarij. Het klinkt ons wat vreemd in de oren dat een wetenschappelijke geest als Ptolemaios zich serieus met dit soort zaken heeft ingelaten. Maar in de klassieke oudheid hoorde dit er gewoon bij. Astrologie gold als zuivere wetenschap.
Dit aspekt van zijn werk is natuurlijk het meest achterhaald. Astrologie geldt nu niet meer als wetenschap. Anderzijds is het het meest actueel, want er zijn nog steeds mensen die het serieus nemen. De hele westerse traditie van de astrologie is in wezen gebaseerd op Ptolemaios’ Tetrabiblos.
Daarnaast schreef Ptolemaios handboeken voor de optica, de harmonieleer en de mechanica, en verder nog wat boeken over meer gespecialiseerde wiskundige onderwerpen. Deze boeken zijn niet zo populair geworden als die over sterrenkunde. De meeste zijn verloren gegaan. Alleen de boeken over optica en harmonieleer zijn grotendeels bewaard.
En alsof dit alles nog niet genoeg is schreef Ptolemaios ook nog een overzichtswerk over aardrijkskunde, zijn “Geografikè hufègèsis”. Dit werk is niet zo beroemd geworden als zijn werk over sterrenkunde, maar het heeft toch een tijd lang groot gezag gehad. Over dit werk wil ik het nu verder hebben.
De wereldbeschrijving

Net als Ptolemaios’ meeste andere werken is zijn “Geografikè” grotendeels een samenvatting en bewerking van oudere schrijvers, wiens werk nu verloren is. Zijn aardrijkskunde is vooral gebaseerd op het werk van een zekere Marinos van Tyrus, over wie verder niets bekend is. Deze Marinos was ook niet origineel geweest, maar had allerlei oudere werken gebruikt. Ptolemaios vond echter dat het beter kon en schreef een boek waarin hij Marinos op tal van punten corrigeerde.

De Geografikè is een wereldbeschrijving. Van alle in de oudheid bekende plaatsen en streken geeft Ptolemaios korte beschrijvingen. In ellenlange tabellen geeft hij bovendien van al deze plaatsen de geografische ligging.
Met behulp van deze tabellen kon men een wereldkaart tekenen, waarin de opgegeven plaatsen waren ingetekend. Het geldt als zeker dat Ptolemaios aan de oorspronkelijke uitgave van het werk een dergelijke kaart toevoegde. Kaarten waren door hun formaat echter kwetsbare dingen, en zeer bewerkelijk om over te tekenen. Vandaar dat het belangrijk was dat Polemaios zijn tabellen gaf. Aan de hand daarvan kan men zijn kaart altijd weer opnieuw reconstrueren.
Het gebied dat Ptolemaios beschreef omvatte de toen bekende wereld, in de eerste plaats de Middellandse Zee en het Romeinse Rijk. Van dit gebied is zijn beschrijving verbazend nauwkeurig. Daarnaast gaf hij zo gewetensvol mogelijk de gegevens van de gebieden daarbuiten, waarover men informatie bezat. In hoofdzaak waren dat de grote rijken in Azië, zoals Perzië en India.
Hier was hij echter verre van volmaakt. In het begin van de negende eeuw werd het boek in het Arabisch vertaald. De Arabieren konden het werk van Ptolemaios toen op tal van punten verbeteren. Zij waren juist in deze Aziatische gebieden goed thuis.
Herontdekking in Europa

In de Arabische wereld stond de Geografikè in de Middeleeuwen in hoge eer. In Europa echter was het vergeten. Pas in de vijftiende eeuw werd het hier herontdekt. In het begin van de eeuw vervaardigde een zekere Jacobus Angelus een Latijnse vertaling van het (Griekse) werk. In 1410 bood hij deze aan aan paus Alexander V.

Het werk werd daarop snel populair. Na de uitvinding van de boekdrukkunst, later in de eeuw, werd het boek al in 1472 voor het eerst gedrukt en de daarop volgende honderd jaar verschenen er werkelijk tientallen edities. Erasmus zelf verzorgde een Griekse editie, in 1533. De meeste van deze uitgaven waren voorzien van kaarten.
Het succes van een werk dat handelt over allerlei vreemde landen is niet zo vreemd. Maar de Geografikè is als zodanig toch wel vrij droge kost. En bovendien, zou men zeggen, het was inmiddels toch achterhaald door de ontdekkingsreizen. Ptolemaios had alleen maar een deel van de Oude Wereld beschreven. Maar in 1492 had Columbus een heel nieuw werelddeel ontdekt (al duurde het even voordat hij dat zelf in de gaten had). Dat is vrijwel aan het begin van de grote golf van belangstelling voor het werk van Ptolemaios.
Het waren ook niet alleen maar simpele zielen die zich in het werk interesseerden. Een van de edities, in 1578, werd bezorgd door niemand minder dan de grote cartograaf Gerard Mercator, beroemd door zijn Atlas en zijn wereldkaart. Niemand kon zich beter bewust zijn van de vele onbekende gebieden en van het vele werk dat daar te doen viel.
Niettemin interesseerde Mercator zich sterk voor het oude werk van Ptolemaios, zozeer dat hij het als zijn taak zag om het werk te zuiveren van de vele fouten die er in de loop van de tijd waren ingeslopen. (Voor de uitvindingen van de boekdrukkunst kon men een boek alleen vermenigvuldigen door het over te schrijven; en het overschrijven van tabellen is een vervelende klus waarbij iemand snel een fout maakt, die vervolgens niet meer als zodanig is te herkennen.) Mercator besteedde veel tijd en zorg aan deze uitgave.
Het belang van oude wetenschap
Er zijn verschillende redenen aan te geven voor deze hernieuwde belangstelling. Allereerst bestond er in de vijftiende en zestiende eeuw nu eenmaal een levendige belangstelling voor alles wat uit de klassieke oudheid afkomstig was. Men meende dat de volmaakte wetenschap der klassieken tijdens de Middeleeuwen was verduisterd. Door de oorspronkelijke schrijvers opnieuw te bestuderen zou men de wetenschap weer kunnen zuiveren. De wetenschap kon worden bevorderd door haar naar haar oude nivo terug te brengen.
En er bestond natuurlijk ook grote behoefte aan een wetenschap van kartografie en aardbeschrijving, juist door de ontdekkingsreizen. In de late middeleeuwen was men begonnen kaarten van kleine gebieden te tekenen. Maar toen de ontdekkingsreizen nieuwe onbekende continenten open legden voldeden de oude, eenvoudige technieken niet meer. Om zich rekenschap te geven van hoe de wereld er volgens de nieuwste gegevens uitzag moest men de cartografie op een wetenschappelijk plan brengen. En de belangrijkste autoriteit bij wien men daarvoor kon aanknopen was Ptolemaios.
Ptolemaios had in zijn werk ook uitvoerig het probleem van de kaartprojectie besproken. Dat is de vraag hoe men het bolvormige aardoppervlak kan weergeven op een vlakke landkaart. Want, om een mogelijk misverstand uit de weg te ruimen: sinds de oude Grieken wist ieder ontwikkeld man in Europa dat de aarde een bol was. Ook in de Middeleeuwen was dat nooit serieus betwijfeld.
Als je een kaart van een klein gebied tekent, merk je weinig van de bolvorm van de aarde. Zo’n gebiedje is vrijwel plat. Maar om een wereldkaart te tekenen, of een kaart waarop een groot deel van de aarde staat afgebeeld, is die bolvorm wel degelijk een probleem. Alle oplossingen voor dit probleem hebben bepaalde nadelen. Een ideale wereldkaart bestaat niet.
Ptolemaios wist dat ook. Vandaar dat hij niet één, maar twee oplossingen bedacht. Zijn wiskundige kennis kwam hem daarbij goed van pas. Zijn ene oplossing is wat wij nu een kegelprojectie noemen, de ander ***
De projecties van Ptolemaios waren, binnen de beperkte mogelijkheden, uitstekende oplossingen. De cartografen uit de Renaissance grepen er dankbaar op terug. Natuurlijk lieten zij het er niet bij en weldra ontwikkelden zij ook allerlei andere projecties. Maar dan bleven de theoretische uiteenzettingen van Ptolemaios toch een belangrijke leidraad.
Een andere belangrijke aardrijkskundige techniek waarover men bij Ptolemaios zijn licht kon opsteken was de plaatsbepaling. Bij het opgeven van een plaats op aarde maakte Ptolemaios, net als wij tegenwoordig, gebruik van een systeem van parallellen en meridianen. Hij kon de ligging aangeven met behulp van het aantal graden oosterlengte en noorderbreedte.
Vanwege de bolvorm van de aarde valt het aantal graden noorderlengte van elke plaats eenvoudig bepalen door ter plaatse bijvoorbeeld de hoogte van de poolster te meten. Ook voor de oude Grieken was dat niet moeilijk. De afstand volgens welke twee plaatsen in de breedte van elkaar afliggen is echter veel moeilijker exact te bepalen.
In principe is het mogelijk een breedteverschil te bepalen door op één bepaald moment het tijdverschil tussen de twee plaatsen te meten. Dat wil zeggen, het verschil in de plaatselijke ware zonnetijd. Daar de zon om de aarde draait (of eigenlijk de aarde om haar as) wordt het overal op een ander moment middag. Als hier de zon het hoogst staat is het aan de andere kant van de aarde, honderdtachtig lengtegraden ver, precies middernacht.
Aan die wetenschap heeft men echter weinig wanneer men geen betrouwbare klokken heeft. Pas in de zeventiende en achttiende eeuw slaagde men er in tot enigszins betrouwbare schattingen te komen. Dit door de tijd (volgens de zon) te bepalen waarop bepaalde sterrenkundige verschijnselen op verschillende plaatsen werden waargenomen. In de tijd van Ptolemaios was men toch grotendeels afhankelijk van schattingen op basis van reistijden en dergelijke.
In de tabellen die Ptolemaios in de Geografikè geeft is de ligging voor wat de noorderbreedte betreft dan ook vaak heel nauwkeurig, maar de geografische lengte veel minder. Ik heb het hier natuurlijk over de plaatsen waarvan hij betrouwbare gegevens had, over het Middellandse-Zeegebied. Op een kaart die volgens Ptolemaios is getekend is de Middellandse Zee in de oost-west richting te lang ten opzichte van de werkelijke verhoudingen.
Deze fout van Ptolemaios, als men het zo noemen mag, zou in de vijftiende eeuw echter een onverwacht gevolg krijgen. De geografen in die tijd baseerden zich op Ptolemaios en namen de foute lengtegraden over. Het hele Euraziatische continent werd daardoor in de oost-west richting als het ware opgerekt. En het overblijvende stuk op de aardbol, waar, naar zij meenden, louter oceaan was, werd daardoor smaller.
Welnu, dit bracht een Genuese zeevaarder, genaamd Columbus, op de gedachte dat het mogelijk moest zijn deze oceaan over te steken en zo vanuit Europa in Indië te belanden. Had men toen al de werkelijke afstand tussen Europa en Indië geweten, dan had hij dit nooit in zijn hoofd gehaald en had geen mens dit dwaze plan gesteund. Volgens alle menselijke berekening had hij verloren moeten gaan in de immense grootheid van de oceaan.
Nu reisde hij opgewekt de verte tegemoet – en ziedaar, toevallig kwam het zo uit dat er tussen Europa en Indië nog een ander continent lag. Het verkeerde uitgangspunt had een ontdekking van wereldhistorisch belang opgeleverd. Wetenschappelijke onjuistheden kunnen soms heel vruchtbaar zijn.
Rienk Vermij

Vitruvius – een antieke bouwmeester over zijn vak

Verschenen in EOS-magazine, februari 2002, p. 54-58 – www.eos.be

De oude Romeinen staan bekend om hun militaire macht, hun organisatietalent, en niet in de laatste plaats om hun technische prestaties. Zo waren zij bekwame wegenbouwers. Sommige Romeinse wegen hebben het tot op de dag van vandaag uitgehouden. Zij bouwden grote gebouwen als het Pantheon en legden waterleidingen en aquaducten aan. De macht van het Romeinse Rijk was niet alleen te danken aan de Romeinse krijgslieden en bestuurders, maar ook aan hun ingenieurs.
Schrijvers over techniek

Opvallend genoeg echter is er over het werk van die Romeinse ingenieurs maar weinig bekend. Ze schreven namelijk vrijwel nooit iets op. Tegenwoordig wordt technische kennis geboekstaafd in handboeken ten dienste van het onderwijs. Het antieke vakonderwijs maakte echter niet van handboeken gebruik. De kennis werd mondeling van een leermeester op zijn leerjongens overgedragen.

Boeken werden vooral geschreven door dichters en filosofen en hadden betrekking op verheven onderwerpen als de filosofie, de godsdienst, en de daden van grote mannen in het verleden. Werken met je handen stond niet hoog in aanzien en was ook geen waardig onderwerp voor een echte schrijver. Wat wij over de Romeinse techniek weten is niet ontleend aan schriftelijke bronnen. Onze kennis is vooral gebaseerd op bestudering van wat er van die techniek over is, dus resten van gebouwen, wegen en aquaducten. Maar wat voor mensen dat alles bouwden en hoe zij te werk gingen, dat is heel moeilijk te achterhalen.
Er is echter één opvallende uitzondering op deze regel. Ergens in de eerste eeuw voor Christus schreef de Romeinse architect Vitruvius een werk dat hij De architectura noemde: “over bouwkunst”. In dit werk zet hij de regels van zijn vak uiteen. Het is daarmee een uniek document, niet alleen voor de Romeinse oudheid, maar voor een veel langere periode. Dat schrijvers en denkers zich liever met de zaken van de geest dan met techniek bezighouden is geen eigenaardigheid van de Romeinen, maar iets wat in vrijwel alle culturen voorkomt. Zelfs vandaag de dag zijn er nog schrijvers die zich boven zulke dingen verheven voelen.
Een schrijver-architect

Vitruvius moet dus wel een uitzonderlijk persoon zijn geweest, maar helaas is over zijn leven zo goed als niets bekend. We weten zelfs niet zijn volledige naam. “Vitruvius” is zijn geslachtsnaam, maar een Romein had ook nog een voornaam en een familienaam. Dat er zo weinig gegevens over hem bewaard zijn gebleven strookt natuurlijk geheel met de lage status van de techniek bij de geletterden. Als technikus of architect had je weinig kans beroemd te worden. Er was domweg niemand die iets over je opschreef.

Om Vitruvius te leren kennen, kunnen we eigenlijk niet beter doen dan zijn boek lezen. Zoveel is zeker, hij was inderdaad een architect. Dat is ook aan de stijl van zijn boek af te lezen. Niet de vloeiende stijl van Romeinse filosofen of literatoren, maar een vrij moeizaam Latijn dat aangeeft dat deze man in zijn leven niet erg veel oefening had gehad in het schrijven. Tegenwoordig zijn er goede vertalingen, maar in de tijd dat men het Latijn zelf las waren er heel wat klachten over zijn stijl.
Wat hij in plaats van schrijven in zijn leven als architect nu wel precies gedaan heeft, blijft echter vrij duister. Slechts van één gebouw weten we dat hij het ontworpen en gebouwd heeft, omdat hij er in zijn boek over schrijft: een basiliek, een soort overdekte markt, in de Italische stad Fano (aan de Adriatische Zee). Dit gebouw is overigens al lang door sloop of verval spoorloos verdwenen. Wat hij verder nog heeft gedaan is niet duidelijk, maar hij schijnt een groot deel van zijn loopbaan in het leger te hebben gewerkt als militaire ingenieur. Tussen architecten en ingenieurs bestond toen geen duidelijke scheiding.
Een erg gezaghebbend architect kan Vitruvius echter moeilijk geweest zijn. Als we de voorschriften in zijn boek vergelijken met de resten van gebouwen uit zijn tijd, blijken die voorschriften vaak tamelijk verouderd. De nieuwste mode vertegenwoordigde hij zeker niet. Dat blijkt het duidelijkst op het punt van versieringen (wandschilderingen en dergelijke), waar de mode altijd het snelste gaat.
In plaats van zwier en mode, heeft Vitruvius de degelijkheid hoog in zijn vaandel staan. Hij besteedt veel aandacht aan zaken als gezondheid en veiligheid. Hij klaagt over collega’s die het met de regels niet zo nauw nemen, op oneerbare wijze klanten werven, maar de mensen uiteindelijk met hoge kosten opzadelen. Op grond van dit soort klachten heeft men wel verondersteld dat het Vitruvius in zijn carrière niet zo goed is gegaan, en dat hij daarom in arren moede de pen ter hand heeft genomen om zijn ambities dan maar op papier te verwerkelijken.
Vitruvius’ werk is geen handboek, waaruit je zou kunnen leren hoe je een huis moet bouwen. Het is niet geschreven voor leerling-architecten, maar voor het geletterde publiek. Hij geeft weliswaar veel technische details, maar laat er geen misverstand over bestaan dat daarnaast theoretische scholing en praktische ervaring essentieel zijn. Met zijn boek wil hij de mensen duidelijk maken dat de bouwkunst een serieus vak is dat achting en bescherming verdient. Een vak, bovendien, dat je niet aan beunhazen kunt overlaten, maar alleen aan goed opgeleide, deskundige bouwmeesters.
Het beeld dat uit dit alles van de man oprijst is dat van een ouderwetse, maar degelijke knorrepot. Iemand die hart heeft voor zijn vak, maar vast wil houden aan de regels die hij in zijn jeugd heeft geleerd.
Vuistregels
De onderwerpen in het boek zijn vrij divers. Sommige zaken zouden wij tot de schone kunsten rekenen, andere onder pure techniek. Zo behandelt Vitruvius het ontwerp van tempels, theaters, sportgebouwen en particuliere villa’s, maar hij geeft ook een heel deel over bouwmaterialen (steen, hout, kalk, en dergelijke). Ook het stuk over versieringen gaat vooral over kleurstoffen en hoe ze aan te brengen. Andere delen betreffen stadsaanleg en watervoorziening. Bovendien waren, zoals al gezegd, de vakken van bouwmeester en ingenieur in deze tijd nog niet scherp gescheiden. Vitruvius wijdt dan ook veel aandacht aan de constructie van zonnewijzers en aan de bouw van pompen en van machines voor de oorlogsvoering.
Vitruvius wil de bouwkunst niet als een puur handwerk beschouwen. Een waar bouwmeester moet volgens hem een grondige theoretische scholing hebben genoten. Voor het bepalen van de verhoudingen van een gebouw is kennis van de wiskunde nodig. Om zonnewijzers te maken moet je beschikken over astronomische kennis van de loop van de zon. Voor het ontwerpen van theaters is kennis van de acoustiek vereist. Voor weer andere zaken, als het kiezen van de plaats van een nederzetting of het aanleggen van een waterleiding, moet de bouwmeester enig inzicht hebben in de geneeskunde, vanwege de effecten op de gezondheid.
Door deze theoretische basis te benadrukken hoopt Vitruvius ongetwijfeld zijn vak de nodige status te geven. Zo last hij nog wel eens historische of filosofische stukken in die hij heeft overgenomen uit de geschriften van geleerde tijdgenoten. Dat maakte zijn boek voor toenmalige lezers waarschijnlijk interessanter, maar voor ons is die aandacht voor geleerde aspecten eigenlijk jammer. Wij hadden liever iets meer over zijn praktijkervaringen gehoord.
Uiteindelijk speelt de theorie bij Vitruvius toch een betrekkelijk ondergeschikte rol. Hij geeft trouwens zelf toe dat de kennis van de bouwmeester niet zo ver hoeft te gaan als die van een echte wiskundige of theoreticus. Waar hij theoretische verhandelingen geeft is het ook lang niet altijd zeker of hij ze zelf wel goed begrepen heeft. De theorie is meestal behoorlijk vereenvoudigd en vooral op de situatie van de architect toegesneden. De theoretische uiteenzettingen moeten vooral bewijzen dat de verschillende voorschriften een redelijke of zelfs wetenschappelijke grond hebben. Dat betekent echter niet dat die theorie in de bouwpraktijk zelf een grote rol speelt.
Het gros van de ontwerpvoorschriften die Vitruvius geeft bestaat uit vuistregels. Het meest springen die in het oog bij de bepaling van de onderlinge verhoudingen van de afmetingen van bouwwerken en constructies. Een onderdeel wordt als eenheid genomen en de overige onderdelen worden daarin uitgedrukt. Bij tempels is de eenheidsmaat in het algemeen de dikte van de zuilen. Een bouwvoorschrift is dan vooral een opsomming in de trand van: de tussenruimten tussen de zuilen moeten tweeëneenkwart zuildikte bedragen, behalve die aan voor- en achterkant, die drie zuildikten moeten bedragen. De hoogte van de zuilen is negeneneenhalve zuildikte. De basis van de zuilen moet een halve zuildikte hoog zijn, inclusief de plint, en anderhalve zuildikte hoog en breed. En zo gaat het verder, van de basis van de zuilen naar het kapiteel en vandaar tot de nok van het dak.
Bij machines gaat het net zo. Bij de ballista, een blijde waarmee zware stenen werden weggeslingerd, moet eerst de diameter van de boorgaten in het spanraam worden bepaald. (In het spanraam worden de torsieveren gespannen, waarvan de werking van het apparaat afhangt.) De afmetingen van alle andere latten en onderdelen waaruit het apparaat is opgebouwd worden dan uitgedrukt als zo-en zoveel keer deze diameter.
Dat klinkt allemaal erg strikt, maar dit betekent niet dat alle tempels er hetzelfde uit moeten zien. Er zijn verschillende soorten tempels, afhankelijk van het grondplan en van de bouworde (de Dorische, Ionische of Corinthische stijlen). Al deze soorten hebben hun eigen voorschriften. Bovendien erkent Vitruvius dat deze voorschriften ideaaltypen betreffen, en dat in de praktijk een bouwmeester zich veelal moet aanpassen aan het terrein of aan de overige omstandigheden (zelfs aan het beschikbare geld). Het gaat om vuistregels, niet om een gedetailleerd bestek.
Deze voorliefde voor vuistregels lijkt echter typisch iets wat samenhangt met Vitruvius’ ambachtelijke achtergrond. Kennis werd op de werkvloer niet doorgegeven via boeken of tekeningen en ook niet via theoretische uiteenzettingen. Voor mondelinge overdracht heb je eenvoudige vaste regels nodig die uit het hoofd zijn te leren, maar die in de praktijk met de nodige vrijheid worden toegepast. Vitruvius’ “vuistregels” beantwoorden precies aan die vereisten. Zijn werk probeert dan wel een geleerde verhandeling zijn, het geeft op deze manier toch een doorkijkje op de manier waarop praktijkkennis vroeger op ongeleerde manier werd doorgegeven.
Vitruvius en de geleerden

In tegenstelling tot wat je misschien verwachten zou, werd het werk van Vitruvius heel populair. Misschien niet zozeer in het Romeinse Rijk zelf. Maar hij behoorde wel tot de weinige klassieke auteurs wier werk al in de vroege Middeleeuwen overal in Europa bekend was. In die tijd, voor de uitvinding van de boekdrukkunst, was het kopiëren van boeken een kostbaar en tijdrovend karwei. Het zegt daarom wel iets dat het werk van Vitruvius in vrijwel geen kathedrale bibliotheek ontbrak.

In de Renaissance nam zijn roem alleen nog maar toe. Vitruvius kreeg concurrentie van tal van andere antieke auteurs die inmiddels herontdekt waren, maar hij handhaafde zich moeiteloos. Na de uitvinding van de boekdrukkunst werd zijn werk in grote oplages gedrukt. Geleerden in heel Europa maakten er serieus studie van en verwezen er naar in hun eigen boeken.
Dat is op het eerste gezicht erg vreemd. Ook de renaissancegeleerden voelden een dédain voor het handwerk. Ook zij hielden zich bij voorkeur bezig met politiek, filosofie en andere “verheven” onderwerpen. Vanwaar dan opeens die belangstelling voor een boek over een praktisch vak als bouwkunde door een simpele architect, dat houterig was geschreven en volgestopt met vuistregels?
Het antwoord ligt gedeeltelijk in het feit dat Vitruvius niet alleen technische zaken behandelt, maar ook zaken die we nu tot de schone kunsten rekenen; in het bijzonder zijn behandeling van de Dorische, Ionische en Corinthische stijlen. In de Renaissance wilde men de klassieke oudheid doen herleven, ook op het gebied van de kunst. Precieze voorschriften hoe dat op bouwkundig gebied te verwerkelijken viel waren daarom zeer welkom.
Maar bovendien werden Vitruvius’ voorschriften niet zozeer opgevat als praktische vuistregels, wat zij toch vooral waren, maar als uitingen van een diepe wijsheid. Vitruvius had hier, in zijn pogingen de bouwkunst een geleerd jasje aan te trekken, trouwens zelf aanleiding toe gegeven. In een inleiding had hij beweerd dat de verschillende vaste verhoudingen in de architectuur voortvloeiden uit de harmonie in de kosmos. In een beroemde passage zette hij uiteen hoe de natuur zelf aan het menselijke lichaam vaste verhoudingen heeft gegeven.
De lengte van top tot teen, aldus Vitruvius, is gelijk aan de afstand tussen de uitgespreide armen. Het geheel past in een cirkel waarvan het middelpunt de navel is. De lengte van een voet is gelijk aan een zesde deel van de lengte van het lichaam als geheel. Hiermee betoogde hij dat vaste verhoudingen belangrijk waren; de natuur zelf gaf immers het voorbeeld. Willen wij een harmonisch tempelontwerp maken, dan moeten wij op dezelfde manier te werk gaan.
De geleerden van de Renaissance hadden niet zoveel op met constructiewerk, maar in de harmonie van de kosmos waren zij zeer geïnteresseerd. Vitruvius was een van de weinige auteurs die hierover concrete informatie verschafte. Zijn opsommingen van verhoudingen zijn voor ons vrij dor en vermoeiend. Maar in de Renaissance vermoedde men hierin een sleutel tot de geheimen van hemel en aarde. Vandaar dat zijn werk druk werd gelezen en becommentariëerd. Zijn ideeën over de verhoudingen van en binnen het mensenlichaam hebben een taai leven gehad, hoewel er, als je het precies gaat nameten, welbeschouwd niet zo veel van klopt.
Renaissancegeleerden waren zelf meestal weinig vertrouwd met de wereld van het handwerk en waren gewend klassieke geschriften filosofisch op te vatten. Vandaar dat zij ook Vitruvius’ filosofische pose als zoete koek slikten. Dat de verhoudingen bij Vitruvius vooral voortvloeien uit de ambachtelijke traditie en niet uit de hogere filosofie, hadden zij niet in de gaten. Het geeft wel aan dat techniek ook in de Renaissance niet hoog in achting stond. Het enige boek uit de Oudheid waarin uitvoerig over techniek gesproken werd, werd meer gelezen ondanks dan vanwege de techische inhoud. Sterker, die technische inhoud werd amper meer als zodanig herkend.
Rienk Vermij
Een recente vertaling van Vitruvius’ De architectura van de hand van Ton Peters verscheen in 1997 (herdrukt in 1998) te Amsterdam, onder de titel Handboek bouwkunde.