Reeds voor de oprichting van een universiteit in 1425 bezaten verscheidene ordes te Leuven een studiehuis voor de vorming van hun leden, zoals de dominicanen, de franciscanen en de augustijnen. Van bij de oprichting van de universiteit werden zij bij de nieuwe stichting betrokken. In 1447 werden de drie genoemde kloosters geïncorporeerd in de universiteit, wat inhield dat ze het oppergezag van de rector erkenden, niet meer onderworpen waren aan stedelijke instanties en konden profiteren van de universitaire privileges.

Het studiehuis dat de karmelieten in 1455 te Leuven oprichtten werd in 1461 in de universiteit geïncorporeerd. Hetzelfde gebeurde mettertijd met alle andere mannenkloosters die te Leuven of in de onmiddellijke omgeving bestonden of werden opgericht, meer dan twintig. De refugiehuizen die de abdijen van Aulne en Villers te Leuven bezaten, verwierven het statuut van college. Voor de huisvesting van norbertijnen die aan de universiteit studeerden werd in 1571 het Premonstreitcollege opgericht. Voor de vorming van regulieren bestemd voor de missie in eigen land werden in de 17de eeuw kloostercolleges opgericht door de Ierse franciscanen en door de Ierse en de Engelse dominicanen.
Van de meeste van deze huizen studeerden fraters aan de universiteit en behaalden ze er diploma’s. Hun aandeel in de studentenbevolking ging echter in dalende lijn. In de 17de en 18de eeuw treft men onder de studenten enkel nog dominicanen, augustijnen en norbertijnen aan. Ook de professoren uit de bedelorden verdwenen uit de theologische faculteit. Het bleef echter een traditie dat een dominicaan en een augustijn deel uitmaakten van het bestuurscollege van deze faculteit, zonder dat zij er zelf doceerden. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden bemoeiden de academische overheden zich met het leven in de vele geïncorporeerde kloosters.
Op dit colloquium wordt de stand van het onderzoek opgemaakt over de ordes en congregaties die in Leuven studiehuizen hadden, in het bijzonder over hun relatie met de universiteit. verder wordt nagegaan of de ordes ook een eigen opleiding hadden, welke rol het concilie van Trente in de organisatie van de opleiding speelde, enz.