Brief aan NWO, in het kader van de ‘strategie discussie 2007-2010′

Geacht bestuur,

Graag maken wij gebruik van de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan de discussie over de nieuwe NWO-strategie.

Wij geven hieronder een korte schets van het onderzoeksprogramma The Netherlands as a historical laboratory, a national research programme on the circulation of scientific knowledge and practice, 1600-2000. Dit programma is van meet af aan bedoeld geweest om te zijner tijd voorgelegd te worden aan NWO, omdat het ons inziens in aanmerking kan komen als aandachtspunt in het NWO-beleid voor de geesteswetenschappen. Aan de uitwerking ervan wordt momenteel gewerkt, maar wij willen u er in het kader van de strategiediscussie nu al op attent te maken.

Ter introductie van ondergetekenden:

  • Dr. L.L. Roberts is als UHD (vanwege het Aspasiaprogramma van NWO) verbonden aan de Vakgroep Geschiedenis van de Universiteit Twente.
  • Dr. B. Theunissen is als UHD verbonden aan het Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappen van de Universiteit Utrecht. Met ingang van 1 januari 2005 is hij tevens Akademieleerstoelhouder wetenschapsgeschiedenis (vanwege het Fonds voor de Geesteswetenschappen van de KNAW).

Begin dit jaar hebben wij het initiatief genomen om alle Nederlandse wetenschapshistorici te verenigen in een samenwerkingsverband met een gezamenlijk onderzoeksprogramma. Twee overwegingen hebben hiertoe geleid, een inhoudelijke en een organisatorische.

Om met de laatste te beginnen: het Nederlandse wetenschapshistorische onderzoek is sterk versnipperd. De in totaal zo’n 35 onderzoekers in het vakgebied werken aan individuele projecten, en samenwerkingsverbanden zijn er niet of nauwelijks. Ons inziens is er veel winst te boeken op het vlak van effectiviteit van het onderzoek, van zichtbaarheid van het vakgebied en van fondswerving, wanneer er een focus voor het onderzoek wordt geformuleerd waaraan gezamenlijk meerdere jaren wordt gewerkt.

De behoefte aan samenhang en samenwerking bleek door onze collega’s gedeeld te worden. De reacties op ons initiatief waren unaniem positief en er is, onder de koepel van de landelijke vereniging van wetenschapshistorici (Gewina) een werkgroep opgericht die zich met de uitwerking van een onderzoeksplan bezighoudt.

De eerste impuls voor ons plan was echter van inhoudelijke aard en heeft te maken met de recente ontwikkeling van het vakgebied zelf. Het wetenschapshistorisch onderzoek is naar onze overtuiging op een punt gekomen waarop een nieuwe probleemstelling zich aandient.

De eerste generatie wetenschapshistorici die midden twintigste eeuw professioneel studie begon te maken van de wetenschapsontwikkeling, ging uit van een wetenschap die autonoom, universeel, cumulatief en progressief was. De nadruk lag op de interne ontwikkeling van de natuurwetenschappen, gepresenteerd als één ‘master narrative’ gemarkeerd door ‘doorbraken’ in de kennisontwikkeling als de copernicaanse, de darwiniaanse en de quantummechanische ‘revoluties’.

In reactie op dergelijke ‘grote verhalen’ hebben wetenschapshistorici de laatste decennia vooral de nadruk gelegd op de contingentie van de wetenschapsontwikkeling, op het belang van de sociale en culturele context, en – tegenover de vroegere nadruk op theorievorming – op wetenschappelijke praktijken, waaronder het gebruik van instrumenten en experimenten.

Dit heeft tot een vergaande nuancering van het vroegere beeld van de autonome ontwikkeling van universele kennis geleid. Het adagium van onze discipline vandaag de dag is dat kennisontwikkeling eerst en vooral begrepen moet worden als een resultaat van lokale praktijken.

Deze invalshoek heeft ons inzicht wezenlijk verdiept en ze doet dat nog steeds, maar ze heeft ook een schaduwzijde. Het valt wetenschapshistorici steeds moeilijker om het uiteindelijk toch ook universele karakter van wetenschappelijke kennis te begrijpen. Hoe wordt al die lokaal verworven, contextbepaalde kennis gedecontextualiseerd tot kennis waaraan universele geldigheid wordt toegekend? Hoe is bijvoorbeeld Newtons mechanica, waarvan we de aard en het ontstaan alleen kunnen begrijpen binnen de sociale en culturele context van het zeventiende-eeuwse Engeland, tot een corpus van kennis getransformeerd dat universeel geldig wordt geacht?

Tot voor kort werd dit probleem door wetenschapshistorici onderschat: door de nadruk op lokale praktijken dreigden we het zicht op ‘the big picture’ kwijt te raken. Dit belemmerde de wetenschapsgeschiedenis ook in haar maatschappelijke rol. Wetenschapsgeschiedenis dient bij te dragen aan reflectie over het verschijnsel wetenschap in maatschappelijke context, en juist de claim van universele geldigheid geeft de wetenschap haar fundamentele maatschappelijke betekenis. Wetenschapshistorici mogen zich dus niet beperken tot de lokale productie van wetenschappelijk kennen en kunnen, maar moeten juist ook inzicht bieden in de aard en de totstandkoming van universeel geaccepteerde wetenschappelijke inzichten.

Zoveel is daarbij zeker, dat kennis niet vanzelf universeel wordt. Het gaat hier niet om passieve diffusie, maar om actieve transformatie. In onze visie is er sprake van een zich herhalend proces van decontextualisering en recontextualisering, waarbij telkens nieuwe groepen actoren zich de kennis en kunde in kwestie op specifieke wijze toe-eigenen. Het interessante is dat die kennis en kunde daarbij zèlf van inhoud en betekenis kunnen veranderen. Het resultaat van het proces kan ‘universele kennis’ zijn – met daarbij de aantekening dat ook dit resultaat geen eindresultaat hoeft te zijn.

Ons onderzoeksprogramma stelt dit actieve transformatieproces in al zijn facetten centraal, en voor zover wij kunnen nagaan is dit programma wereldwijd het eerste in zijn soort. De concrete invalshoek die wij hierbij voorstellen blijkt uit de titel van het programma. Nederland is traditioneel een land van uitwisseling, van goederen en ideeën. Als bekend voorbeeld valt hier de Nederlandse rol te noemen bij de (her)interpretatie en verspreiding door Europa van cartesiaanse en newtoniaanse denkbeelden, waarbij zulke voor de Republiek kenmerkende factoren als de hoge graad van urbanisatie en geletterdheid alsook de relatieve vrijheid van debatteren, publiceren en drukken een centrale rol speelden. Een heel ander voorbeeld is de leidende rol die Nederlanders in de twintigste eeuw hebben gespeeld in het wetenschappelijk internationalisme, de beweging die in het universele karakter van de wetenschap de sleutel zag tot het bereiken van wereldwijde vrede en welvaart. Nederland, kort gezegd, was altijd een kruispunt van intellectuele wegen, en Nederlandse wetenschappers fungeerden traditioneel als actieve interpretatoren en intermediairs in de kennisuitwisseling.

In die kennisuitwisseling, in ‘the circulation of knowledge’, zien wij het centrale aangrijpingspunt voor onderzoek naar de vraag hoe wetenschappelijke kennis haar universele status verkrijgt. Nederland, als entrepot in de kennisuitwisseling, kan daarbij als een ‘historisch laboratorium’ dienen dat bij uitstek geschikt is voor zulk onderzoek.

Uit besprekingen in onze werkgroep is naar voren gekomen dat de expertise van onze collega’s aan de Nederlandse universiteiten uitstekend aansluit bij een dergelijke vraagstelling. Nagenoeg allemaal werken zij aan onderwerpen uit de Nederlandse wetenschapsgeschiedenis, waarbij het aspect van uitwisseling van kennis zich veelal al vanzelf opdringt. Maar uiteraard betekent ‘uitwisseling’ dat het niet alleen kan gaan om Nederland als zodanig, en evenmin om Nederland alleen. Steeds zal ook gekeken moeten worden naar de partners waarmee die uitwisseling plaatsvond, en dit zal telkens nopen tot verbreding van het perspectief naar ontwikkelingen in de buurlanden, in Europa, in de voormalige koloniën en tenslotte in de rest van de wereld.

Onze vraagstelling nodigt dus tot internationale samenwerking uit, om te beginnen op Europees niveau. Daarom zullen wij ons project op het eerste internationale congres van de pas opgerichte European Society for the History of Science, begin november 2004 in Maastricht, voor het eerst officieel presenteren.

De komende tijd zullen wij ons in eerste instantie richten op de verdere uitwerking van het nationale programma. In dit kader zal in mei 2005 een workshop van de landelijke werkgroep plaatsvinden, waarna een definitief programmavoorstel zal worden geformuleerd..

Ons programma verkeert dus nog in statu nascendi. Wij zouden echter graag van u vernemen onder welke voorwaarden het in uw verkenning ten behoeve van de nieuwe NWO-strategie betrokken kan worden.

Hoogachtend,

  • Dr. L.L. Roberts
    Center for Study of Science, Technology and Society
    Faculteit Bedrijf, Bestuur en Technologie
    Universiteit Twente
    Postbus 217, 7500 AE Enschede
  • Dr. B. Theunissen
    Instituut voor Geschiedenis en Grondslagen van de Natuurwetenschappe
    Faculteit Natuur- en Sterrenkunde
    Universiteit Utrecht
    Postbus 80.000, 3508 TA Utrecht