Bijeenkomsten

Bijeenkomst Gewina

Al honderd jaar organiseert Gewina regelmatigwetenschappelijke vergaderingen. De laatste jaren is de najaarsvergadering meestal in Utrecht, over een thema uit de universiteitsgeschiedenis. De voorjaarsvergadering wordt op verschillende plaatsen gehouden. Een overzicht van de afgelopen jaren is te vinden op de pagina ‘Bijeenkomsten uit het verleden’.

 

Woudschotenconferentie

Eens in de twee jaar is er een conferentie in Woudschoten voor professionele wetenschaps- en universiteitshistorici en studenten uit Nederland en Belgie. De zesde editie is op 19-20 juni in conferentieoord Woudschoten. Het thema van de conferentie is: ‘Things to Know: Material Culture in Scientific Practice’.

De deadline voor registratie is 4 juni. Meer informatie is te vinden op de conferentiepagina Woudschoten VI.


De najaarsbijeenkomst is op 11 december 2015 in Utrecht, met als thema: Universiteit en identiteit: Over samenwerking, concurrentie en taakverdeling tussen de Nederlandse universiteiten

Call for papers [spoiler]

Tegenwoordig staan aan de universiteiten de ‘kleine talen’ onder druk. In de jaren 1980 waren het andere studies. Toen dwong minister Deetman de universiteiten tot het maken van afspraken over de verdeling van studierichtingen en van onderzoeksvelden. Hem zou dit structurele bezuinigingen opleveren, de universiteiten een duidelijker profiel. Deetman was niet de eerste minister van Onderwijs die zoiets probeerde. Al in 1920 had zijn voorganger De Visser zijn zorgen geuit over de snelle groei van het aantal leerstoelen. Volgens hem hoefde niet elke rijksuniversiteit – want verder reikte zijn competentie niet – alle vakken te verzorgen.

Een kleine studie van nu is groter dan menige faculteit of zelfs universiteit in de negentiende eeuw. In 1850 telde het hoger onderwijs in Nederland 1250 studenten. Toen was het de vraag of Nederland wel meer dan één universiteit nodig had. Nu hebben de gezamenlijke universiteiten 250.000 studenten. Paradoxaal genoeg kampen universiteiten toch met ‘onrendabele’, te weinig studenten trekkende studies. Ooit profileerden universiteiten zich met deze studies. Aan het eind van de negentiende eeuw had de Groningse universiteit als enige moderne vreemde talen op het programma. In het begin van de twintigste eeuw stelde de gemeente Amsterdam voor haar universiteit eveneens leerstoelen in voor deze vakken, omdat dit paste bij een handelsstad en omdat er vraag naar was. Hierna volgden geleidelijk de andere universiteiten. Dit patroon zou zich veelvuldig herhalen. Telkens opnieuw namen andere universiteiten nieuwe studierichtingen over wanneer zij een succes bleken.

Nieuwe medische faculteiten kwamen voort uit de vraag naar artsen, eerst aan de bijzondere universiteiten, daarna in Rotterdam en Maastricht. Uit de combinatie van de medische faculteit in Rotterdam met wat eens de Handelshogeschool was, ontstond de Erasmus Universiteit. Ook de vestiging van de achtste medische faculteit in Maastricht leidde tot de vorming van een universiteit. Dit was een politieke keuze, en daarom wilden de initiatiefnemers dat de universiteit in Maastricht zich in het academische landschap zou onderscheiden. Dit werd bereikt met een basisfilosofie en een nieuw onderwijssysteem. Vooral dit laatste leidde spoedig tot navolging.

Deze behoefte zich te onderscheiden ontstond na de enorme overheidsinvesteringen in hoger onderwijs en wetenschap van de jaren 1950 en 1960. In Eindhoven en Twente waren nieuwe Technische Hogescholen geopend, en bestaande en nieuwe universiteiten en hogescholen waren uitgebreid met nieuwe studierichtingen, nieuwe specialismen en complete faculteiten. Het gevolg was dat de ‘brede’ universiteiten vrijwel alle studierichtingen aanboden en zo steeds gelijkvormiger werden. De laatste statusverschillen verdwenen toen de hogescholen met promotierecht in 1986 ook universiteit werden.

Door de sterke overheidsregie in al deze ontwikkelingen is het de vraag welke rol de universiteiten hier afzonderlijk en gezamenlijk in speelden. Deden zij ertoe? Welke initiatieven zijn er in de loop der jaren geweest om te komen tot een taakverdeling tussen de universiteiten? Hierbij valt te denken aan initiatieven om te komen tot afspraken over hoogleraarsbenoemingen, aan afspraken tussen universiteiten over gezamenlijk aangeboden studierichtingen, aan periodiek overleg tussen de rectores magnifici en aan de samenwerking in de VSNU. Wat was het effect hiervan? Wat was, om terug te keren naar de negentiende eeuw, de betekenis van de Keizerlijke Universiteit en van het streven naar één universiteit in het Koninkrijk der Nederlanden? Waarom mislukte dit? Of bestond en bestaat er nog altijd in feite één universiteit met verschillende vestigingen? Hebben – afgezien van de levensbeschouwelijke oorsprong van sommige – de huidige universiteiten een eigen identiteit?

Ter bespreking van deze en soortgelijke vragen organiseren het Belgisch-Nederlands genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis Gewina, het Descartes Centre for the History and Philosophy of the Sciences and the Humanities te Utrecht en de Commissie Geschiedschrijving UvA op vrijdag 11 december 2015 in Utrecht het symposium ‘Universiteit en identiteit. Over samenwerking, concurrentie en taakverdeling tussen de Nederlandse universiteiten’.

Belangstellenden worden uitgenodigd vóór 1 september 2015 een voorstel van maximaal 500 woorden in te dienen. De spreektijd zal ongeveer een half uur zijn. De bijdragen zullen worden gebundeld tot een boek.

Geïnteresseerden kunnen zich wenden tot prof. dr. L.J. Dorsman (Universiteit Utrecht), e-mail: l.j.dorsman@uu.nl, tel.: 030-253 6464, of tot dr. P.J. Knegtmans (Universiteit van Amsterdam), e-mail: p.j.knegtmans@uva.nl, tel.: 020-525 3342.

[/spoiler]

Onderwijs

Hier vindt u enkele nuttige links over wetenschapsgeschiedenis voor docenten en leerlingen.

PageLines