Universiteit, wetenschap, het studentenleven, ze worden in de bellettrie van het Nederlandse  taalgebied bepaald niet verwaarloosd. Van Klikspaan tot Marijke Harberts en Kees van der Pijl, van Simon Vestdijk tot Tymen Trolsky en J.J. Voskuil, Willem Frederik Hermans of Joke Hermsen heeft het genre van de campus novel verschillende gedaantes aangenomen, en in veel gevallen rijke literatuur opgeleverd. Hoe beklagenswaardig was niet de student-Leidenaar uit Klikspaans Studenten-Typen, de uit de universiteitsstad afkomstige student die bij zijn ouders woonde. Papa wist ’s morgens vroeg al of zijn zoon naar college was gegaan en hij was goed ingelicht over diens ijver, want hij kende alle professoren. Mama verwachtte hem ’s middags voor het eten. Lang op de sociëteit blijven hangen was er voor hem niet bij. Op zondag vergezelde hij zijn ouders naar de kerk en in de schouwburg moest hij toezien hoe zijn vrienden het soms uitschaterden, terwijl hij in een van de loges zijn stijve nichten en tantes moest amuseren.
Klikspaans verhalen en schetsen zijn al dikwijls gebruikt om een beeld te geven van de negentiende-eeuwse universiteit en het studentenleven. Simon Vestdijk heeft in zijn Anton Wachter-cyclus rake typeringen gegeven van de hoogleraren en hun onderwijs in de medische faculteit van de Universiteit van Amsterdam omstreeks 1920. En Judicus Verstegen zat in zijn sleutelroman De koekoek in de klok uit 1969 over de verstrengeling van belangen van industrie en universiteit sommige personen zo dicht op de huid dat voor de rechter-commissaris een schikking moest worden getroffen. Het gevolg was dat het boek uit de handel werd genomen en de voorraad vernietigd.

Van niet elke roman staat vast dat hij zo goed bruikbaar is voor de wetenschaps- of universiteitsgeschiedenis. J.J. Voskuils Bij nader inzien is wel gebruikt om het studentenleven van net na de Tweede Wereldoorlog te typeren. Maar is dit wel terecht? Waren Voskuils alter ego Maarten Koning en zijn vrienden hiervoor niet te veel een groepje zonderlingen? Zijn de meisjes uit Marijke Harberts’ Doezamand hier niet veel geschikter voor? Of de boeken over het leven in en na het Corps als Boudewijn van Houtens Zoveel lol (later heruitgegeven als De ontgroening) en Esprit de corps van Kees van der Pijl?

Maarten Koning is als wetenschapsbeoefenaar in Het bureau nog steeds een zonderling, maar wel een van een herkenbare soort. Hier is hij de kamergeleerde die er niet om maalt wat buitenstaanders van zijn werk denken. Hij steekt hierin scherp af tegen zijn collega Jaap Balk die meer oog heeft voor de eisen van zijn tijd. Het bureau laat zien welke ontwikkeling zich in de wetenschapsbeoefening in Nederland heeft voltrokken. Lastiger te hanteren zijn romans als Onder professoren van Willem Frederik Hermans of De profielschets van Joke Hermsen. Wat kunnen historici met boeken waarin een karikatuur wordt gemaakt van de universitaire gemeenschap? Meer in het algemeen gesteld: wat levert de verbeelding van universiteit, wetenschap en het studentenleven in romans op voor de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis in de Lage Landen? Kunnen romans een bron vormen voor een studie van de omgangsvormen aan de universiteit en in de wetenschap? Scherpen ze de blik op universiteit en wetenschap en zo ja, in welke zin? Klopt het dat de campus novel doorgaans een nogal negatief beeld van deze gemeenschappen? Was dit altijd al het geval, en zo ja, wat betekent dit?

Ter bespreking van deze en soortgelijke vragen organiseren het Belgisch-Nederlands genootschap voor wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis Gewina, het DescartesCentre for the History and Philosophy of the Sciences and the Humanities te Utrecht en de Commissie Geschiedschrijving UvA op vrijdag 12 december 2014 in Utrecht het symposium ‘Spiegel of lachspiegel. De betekenis van de Nederlandse campus novel voor de wetenschaps- en universiteitsgeschiedenis’.

Belangstellenden worden uitgenodigd vóór 1 september 2014 een voorstel van maximaal 500 woorden in te dienen. De spreektijd zal ongeveer een half uur zijn. De bijdragen zullen worden gebundeld tot een boek.

Geïnteresseerden kunnen zich wenden tot prof. dr. L.J. Dorsman (Universiteit Utrecht), e-mail: l.j.dorsman@uu.nl, tel.: 030-253 6464, of tot dr. P.J. Knegtmans (Universiteit van Amsterdam), e-mail: p.j.knegtmans@uva.nl, tel.: 020-525 3342.